Advertisement

Inleiding – De persoon achter de jeugdzorg nader onderzocht

  • Carlo Schuengel

Abstract

De jeugdzorg is er voor complexe problemen waar opvoeders en kinderen op eigen kracht niet meer uitkomen. Problemen zijn doorgaans zodanig geëscaleerd, dat deze het gewone, gezonde verstand te boven gaan, laat staan het tijdelijk of permanent getroubleerde verstand. Van hulpverleners in de jeugdzorg wordt derhalve verwacht dat ze de capaciteiten en de expertise hebben om opvoeders bij te staan, om de problemen te doorgronden, en om door hun handelen bij te dragen aan de oplossing. Gezien de intellectuele uitdaging die problemen in opvoeding en ontwikkeling bieden en de autonomie die de omgang met opvoeders en kinderen veronderstelt, is het niet verwonderlijk dat van hulpverleners een bepaald niveau van professionaliteit wordt verwacht. Hier doet zich in het huidige tijdsgewricht een interessante paradox voor. De roep om meer aandacht voor professionalisering gaat hand in hand met de aanbeveling om meer gebruik te maken van voorgeschreven richtlijnen en protocollen, bij voorkeur met een wetenschappelijk bewezen effectiviteit.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatuur

  1. Bowlby, J. (1969/1984). Attachment and loss: Vol. 1. Attachment (2e druk). Londen: Penguin.Google Scholar
  2. Bowlby, J. (1988). A secure base: Clinical applications of attachment theory . Londen: Routledge.Google Scholar
  3. Dix, T. (1991). The affective organization of parenting: Adaptive and maladaptive processes. Psychological Bulletin, 110, 3–25.PubMedCrossRefGoogle Scholar
  4. Dozier, M., Highley, E., Albus, K. & Nutter, A. (2002). Intervening with foster infants’ caregivers: Targeting three critical needs. Infant Mental Health Journal, 23, 541–554.CrossRefGoogle Scholar
  5. IJzendoorn, M.H. van (1995). Adult attachment representations, parental responsiveness, and infant attachment: A meta-analysis on the predictive validity of the Adult Attachment Interview. Psychological Bulletin, 117, 387–403.PubMedCrossRefGoogle Scholar
  6. Lever, M. (2006). Mee in de hel en voor de duivel niet bang. Diemen: Expertisecentrum Jeugdzorg-Gehandicaptenzorg William Schrikker.Google Scholar
  7. Moses, T. (2000). Attachment theory and residential treatment: A study of staff-client relationships. American Journal of Orthopsychiatry, 70, 474–490.PubMedCrossRefGoogle Scholar
  8. Reinders, H. (2008). The transformation of human services. Journal of Intellectual Disability Research, 52, 564–572.PubMedCrossRefGoogle Scholar
  9. Smith, M. (2003). Michael Polanyi and tacit knowledge . The Encyclopedia of Informal Education, www.infed.org/thinkers/polanyi.htm (geraadpleegd 24 mei 2009).
  10. Zeijl, J. van, Mesman, J., IJzendoorn, M.H. van, Bakermans-Kranenburg, M.J., Juffer, F., Stolk, M.N. et al. (2006). Attachment-based intervention for enhancing sensitive discipline in mothers of 1- to 3-year-old children at risk for externalizing behavior problems: A randomized controlled trial. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 74, 994–1005.PubMedCrossRefGoogle Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Uitgeverij 2009

Authors and Affiliations

  • Carlo Schuengel

There are no affiliations available

Personalised recommendations