Advertisement

24 Luchtweginfecties

  • P.M. Schneeberger
Chapter
  • 1.9k Downloads

Samenvatting

Hoewel de luchtwegen een continuüm vormen van de neus tot de alveoli, wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen bovenste en onderste luchtwegen. De bovenste luchtwegen omvatten het gedeelte tussen neus en bronchus. De bovenste luchtwegen staan onder een continue druk van microorganismen die circuleren in de omgeving. De meeste micro-organismen zullen niet door de epitheellaag van de luchtwegen heen kunnen dringen. Sommige kunnen dit wel en deze kunnen zo een systemische infectie veroorzaken. Andere micro-organismen zullen dat alleen doen nadat een beschadiging is opgetreden is aan het epitheel.

24.1 Bovenste luchtwegen

Hoewel de luchtwegen een continuüm vormen van de neus tot de alveoli, wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen bovenste en onderste luchtwegen. De bovenste luchtwegen omvatten het gedeelte tussen neus en bronchus. De bovenste luchtwegen staan onder een continue druk van micro-organismen die circuleren in de omgeving. De meeste micro-organismen zullen niet door de epitheellaag van de luchtwegen heen kunnen dringen. Sommige kunnen dit wel en deze kunnen zo een systemische infectie veroorzaken. Andere micro-organismen zullen dat alleen doen nadat een beschadiging is opgetreden is aan het epitheel.

24.1.1 Verkoudheid

rinovirus

coronavirus

Rhinitis of neusverkoudheid is een van de meest frequent voorkomende infectieuze aandoeningen die alle leeftijdscategorieën treft. Rinovirus en coronavirus zijn de meest frequente belagers van de neus-keelholte (nasofarynx). Ze veroorzaken het leeuwendeel van de gewone verkoudheden. Virussen vermenigvuldigen zich in cellen van het slijmvlies. De directe schade aan het slijmvlies door het virus en de schade die daarop volgt door de ontstekingsreactie, veroorzaken de rinorroe (loopneus). Door hoesten, niezen en handcontact worden grote hoeveelheden virus verspreid, wat tot nieuwe infecties kan leiden in de omgeving van de indexpatiënt. Diagnose vindt plaats op basis van de kliniek. Laboratoriumonderzoek is niet routinematig beschikbaar.

24.1.2 Sinusitis en otitis media

Streptococcus pneumoniae (pneumokok)

Branhamella spp.

Haemophilus influenzae

anaerobe bacteriën

Sinusitis is een ontsteking van de neus en voorhoofdsholten, meestal optredend in aansluiting op een luchtweginfectie. Veelal geven in eerste instantie verkoudheidsvirussen, hyperreactiviteit of een allergische reactie aanleiding tot ontstekingsverschijnselen. Vervolgens wordt het proces onderhouden door bacteriële superinfectie met onder andere pneumokokken, Haemophilus influenzae, Branhamella spp. en anaeroben. Otitis media wordt vooral bij jonge kinderen gezien. Hier is vaak sprake van een bacteriële superinfectie na een virusinfectie van de bovenste luchtwegen. Door de slijmvlieszwelling wordt de functie van de buis van Eustachius ontregeld, waarna door stasis een infectie met bacteriën optreedt met de eerdergenoemde micro-organismen.

24.1.3 Stomatitis

Streptococcus mutans

Candida albicans

groep viridans streptokokken

coxsackievirus

Actinomyces spp.

 

Van de vele bacteriën die vroeg of laat in de mond komen, zullen alleen bacteriën die zich kunnen vastplakken en zo de speekselvloed trotseren zich handhaven. Streptokokken – grampositieve kokken in ketens – komen in grote dichtheid in alle delen van de mond voor. Deze bacteriën hechten aan tanden en kiezen en veroorzaken cariës. Uit suikers maken ze plakkerige polymeren zoals dextran, dat een deel van tandplaque wordt. Vooral Streptococcus mutans draagt bij tot cariësvorming. Daarbij komt voor dat deze micro-organismen, bijvoorbeeld bij het tandenpoetsen, in het bloed terechtkomen. Ze zullen dan een enkele keer kunnen aanhechten aan een hartklep en zo endocarditis veroorzaken. Dit gebeurt meestal bij een door ziekte of aangeboren aandoening misvormde hartklep. Deze diverse vergroenende en indifferente streptokokken worden samengevat onder de streptokokken van de viridansgroep. Bacteriologische diagnostiek van een endocarditis vindt plaats met behulp van bloedkweken.

Actinomyces spp. zijn gramvariabele, anaerobe bacteriën die in vertakte ketens samenklonteren. Ze komen in tandvleesplooien en plaque voor en kunnen bijdragen tot peridontale ontsteking. Actinomyces spp. kunnen ernstige mond- en longinfecties geven.

Naast deze bacteriën komen ook gistcellen in de mond voor, vooral Candida albicans. Ze kunnen een ulceratieve stomatitis met een wit beslag geven.

Het coxsackievirus en het herpessimplexvirus kunnen pijnlijke infecties met blaasjesvorming in de mond veroorzaken.

24.1.4 Faryngitis en tonsillitis

Streptococcus pyogenes (groep-A-streptokok )

epstein-barrvirus (EBV)

Haemophilus influenzae

herpessimplexvirus (HSV)

Neisseria gonorrhoeae (gonokok )

 

Zowel virussen als bacteriën kunnen een faryngitis en tonsillitis veroorzaken. De belangrijkste bacteriële verwekkers zijn de groep-A-streptokokken en Haemophilus influenzae. Zeldzame verwekkers zijn Corynebacterium diphtheriae en Neisseria gonorrhoeae. Zeldzame complicaties van een bacteriële infectie zijn een peritonsillair abces (vaak anaerobe bacteriën) en acute epiglottitis (voor de introductie van het vaccin meestal H. influenza type B).

Als gevolg van een streptokokkenfaryngitis door groep-A-streptokokken kan roodvonk en acuut reuma ontstaan. Een keelkweek is het aangewezen onderzoek bij een faryngitis.

Virale faryngitis kan worden veroorzaakt door het EBV; soms spelen adenovirus en HSV een rol. Een EBV-infectie kan serologisch worden aangetoond.

24.1.5 Difterie

Corynebacterium diphtheriae

Difterie wordt veroorzaakt door Corynebacterium diphtheriae. Het toxine van deze bacterie veroorzaakt necrose en pseudomembranen in de farynx. Bovendien kan de hartfunctie worden aangetast door het toxine. Dit ernstige ziektebeeld is door succesvolle vaccinatie verdwenen in de westerse wereld. In Oost-Europa zijn weer epidemieën beschreven, omdat de vaccinatiegraad is teruggelopen. Bij verdenking op difterie moet men contact opnemen met een arts-microbioloog voor het inzetten van de juiste diagnostiek.

24.2 Onderste luchtwegen

De onderste luchtwegen raken soms door dezelfde micro-organismen geïnfecteerd als de hogere luchtwegen. Infecties van de lagere luchtwegen hebben vaak een ernstiger beloop, wat antibiotische therapie veelal noodzakelijk maakt.

24.2.1 Kinkhoest

Bordetella pertussis

Kinkhoest wordt veroorzaakt door de Bordetella pertussis . Het is een kinderziekte die soms ernstig kan verlopen. B. pertussis hecht zich aan het trilhaarepitheel, waar hij zich vermenigvuldigt. Na een incubatietijd van enkele weken raakt de trilhaarfunctie ontregeld door het toxine van B. pertussis. Dit leidt tot ernstige hoestaanvallen die leiden tot uitputting, longschade en soms zelfs hersenschade door de drukverhoging bij het hoesten.

Vaccinatie kan slechts gedeeltelijk kinkhoest voorkomen, maar beïnvloedt de ernst van het ziektebeeld wel. Antimicrobiële therapie met een macrolide heeft slechts een marginale invloed op het ziektebeloop, en wel alleen indien gegeven in het vroege stadium. Diagnostiek vroeg in de ziekte gebeurt door kweek en PCR, en later, in de loop van de ziekte, na 4-6 weken, door middel van serologie.

24.2.2 Bronchitis en bronchiolitis

Haemophilus influenzae

Proteus spp.

Streptococcus pneumoniae (pneumokokken )

Pseudomonas aeruginosa

Branhamella catarrhalis

Staphylococcus aureus

Escherichia coli

Candida spp.

Enterobacter spp.

 

Bij chronische bronchitiden zijn er vaak bronchusafwijkingen, zoals bronchiëctasieën en obstructie. Ook astma en roken spelen een belangrijke rol bij chronisch obstructief longlijden. Er is veel muceus slijm dat bij infectie purulent wordt. Exacerbaties treden vaak op primair door virus en secundair door Haemophilus influenzae en/of Streptococcus pneumoniae, soms Branhamella catarrhalis. Bij stasis van secreet zullen er, vooral bij gebruik van antibiotica, andere bacteriën een rol gaan spelen: gramnegatieve staven zoals Escherichia coli, Enterobacter spp., Proteus spp. en Pseudomonas aeruginosa en ook Staphylococcus aureus. Hun aanwezigheid betekent niet altijd dat ze de bronchitis veroorzaken. Wanneer er bij herhaling Candida uit sputum gekweekt wordt, kan dit, zeker na langdurig antibioticumgebruik, wijzen op een infectie met Candida spp.

24.2.3 Longontsteking

Streptococcus pneumoniae

Mycoplasma pneumoniae

Haemophilus influenzae

Chlamydia psittaci

Enterobacteriaceae

Pneumocystis jiroveci

Klebsiella spp.

Staphylococcus aureus

Pseudomonas aeruginosa

Mycobacterium tuberculosis

Legionella pneumophila

respiratoire virussen

Een lobaire pneumonie wordt meestal door Streptococcus pneumoniae (pneumokok) veroorzaakt. Deze bacterie wordt hierbij lang niet altijd uit het sputum gekweekt. Regelmatig wordt alleen een positieve bloedkweek met pneumokokken gevonden. Ook bij een niet duidelijk lobairbegrensde bronchopneumonie kan S. pneumoniae een rol spelen. Bij kinderen geeft Haemophilus influenzae een enkele keer longontsteking. Als gevolg van vaccinatie tegen H. influenzae type B (HIB) wordt deze ziekteverwekker echter nog maar zelden geïsoleerd.

Longontsteking, al of niet met abcesvorming, door Enterobacteriaceae (onder andere Klebsiella spp.) of Pseudomonas aeruginosa komt bij ziekenhuispatiënten voor, maar kolonisatie van luchtwegen met deze bacteriën zonder infectie eveneens, zodat hun rol moeilijk vast te stellen is. Indien een patiënt een pneumonie in het ziekenhuis heeft opgelopen, spreekt men van een nosocomiale pneumonie. Vooral patiënten die aan de beademing liggen, lopen risico op een nosocomiale pneumonie; deze vorm noemt men ventilator associated pneumonia (VAP).

Legionella pneumophila, Mycoplasma pneumoniae en Chlamydia psittaci zijn verwekkers van een pneumonie met een atypisch beloop. Pneumocystis jiroveci wordt zelden in sputum gezien. Hiervoor is spoelsel van de bronchus nodig. Deze ziekteverwekker wordt gevonden bij patiënten met een verminderde afweer. Diagnostiek van pneumocystis-carinii-pneumonie (PCP) vindt plaats met behulp van PCR. Bij bloederig sputum moet aan long-tuberculose worden gedacht, maar ook aan longinfectie met Staphylococcus aureus, soms in combinatie met een influenzavirusinfectie.

Sputum is geen ideaal onderzoeksmateriaal voor het vaststellen van de verwekker van een luchtweginfectie, omdat sputum snel vervloeit en zich vermengt met speeksel en mondflora. Ochtendsputum dat vanuit de lagere luchtwegen is opgehoest, is het meest geschikt. In het meeste laboratoria begint het onderzoek met het wassen van wat sputum om de mondflora te verwijderen van het purulente gedeelte van het sputum. Dit kan alleen wanneer het nog niet vervloeid is. Daarom is het van belang sputum snel naar het laboratorium te brengen of gekoeld te bewaren. Ook is het belangrijk het sputum af te nemen voordat met antibacteriële behandeling begonnen wordt.

Voor het aantonen van Mycobacterium tuberculosis wordt aanbevolen driemaal ochtendsputum in te leveren; dit in verband met intermitterende uitscheiding.

Materiaal voor virologisch kweekonderzoek op respiratoire virussen moet in een virustransportmedium verzonden worden. Indien onderzoek voor PCR wordt afgenomen, kan dit op een droge wattenstok of in GLY-medium. GLY-medium moet voor RNA-virussen zoals het enterovirus en het influenzavirus worden gebruikt, omdat deze virussen minder stabiel zijn. Welk onderzoek de voorkeur geniet, is afhankelijk van de beschikbare technieken en dat kan per laboratorium verschillen. Het is belangrijk hierbij het materiaal zo vroeg mogelijk in de ziekteperiode af te nemen en zo snel mogelijk hierna in onderzoek te nemen. Denk hierbij vooral aan respiratoire virussen, zoals adenovirus, influenza- en para-influenzavirus en respiratoir syncytieel virus. Bij de verdenking op een specifieke verwekker kan men in sommige gevallen serologische diagnostiek overwegen.

24.2.4 Mycoplasma-infecties

Mycoplasma pneumoniae

In Nederland komt longontsteking door Mycoplasma pneumoniae het gehele jaar voor. Een mycoplasmapneumonie verloopt meestal goedaardig, weinig acuut en met een geprotraheerd beloop. De diagnose mycoplasmapneumonie berust vooral op het klinische beeld: koorts, hoofdpijn, een ontstoken neus en keel met een droge, niet-productieve hoest. Bij ongeveer de helft van de patiënten met een M. pneumoniae-infectie zijn na een week koudeagglutininen aan te tonen. Een Mycoplasma-infectie kan echter het beste met een specifieke serologische bepaling worden aangetoond.

24.2.5 Legionellose

Legionella pneumophila

Legionella pneumophila is een verwekker van een pneumonie, niet zelden met een zeer ernstig beloop. Legionella-infecties zijn geassocieerd met gecontamineerde waterleiding- en koelsystemen, vooral op campings en in hotels rond het Middellandse Zeegebied. L. pneumophila is een gramnegatief staafje dat longontsteking kan geven, soms met zeer ernstige benauwdheid en verwardheid, vooral bij verminderde weerstand (bijvoorbeeld bij rokers, leukemiepatiënten). Bij ongeveer de helft van de patiënten met longontsteking door L. pneumophila is deze bacterie uit het sputum te kweken of aan te tonen met PCR. De kweek vereist specifieke methoden en moet dus specifiek aangevraagd worden. Ook uit longweefsel is L. pneumophila te isoleren. Het kan 5-10 dagen duren totdat groei van Legionella bij onderzoek blijkt. Er is een test voor het aantonen van Legionella- antigeen in de urine. Deze test kan alleen gebruikt worden bij ernstige infecties met Legionella ten gevolge van L. pneumophila type 1. Een infectie met Legionella kan ook worden aangetoond met een Legionella-antistofbepaling (IgM en IgG). Deze antistofbepalingen worden in de regel pas 2-3 weken na het begin van de ziekte positief.

24.2.6 Psittacose

Chlamydia psittaci

Chlamydia psittaci komt bij allerlei vogels voor. De meeste geïnfecteerde mensen hebben contact met vogels gehad. Besmette excreta van vogels kunnen lang infectieus blijven. De besmette vogel kan ziek zijn, maar vaak zijn er weinig of geen verschijnselen. Besmetting van mens op mens is zeer zeldzaam.

C. psittaci kan geïsoleerd worden, maar de diagnose wordt in het algemeen gesteld door een viervoudige titerstijging van de complementbindende antilichamen of een IgG- en/of IgM-antistofrespons of met behulp van een PCR van een keelwat. Aan het einde van de tweede ziekteweek begint de antilichaamtiter te stijgen.

24.2.7 Q-koorts

Coxiella burnetii

Coxiella burnetii is de verwekker van Q-koorts . C. burnetii is een bijzondere bacterie en groeit alleen in de cel (intracellulair). Zijn naam kreeg deze ziekte omdat er in 1935 een koortsende ziekte bij twintig mensen in Queensland voorkwam, een ziekte die Query-fever, later Q-fever genoemd is. We maken onderscheid tussen acute Q-koorts en chronische Q-koorts. Bij de presentatie van acute Q-koorts staan pneumonie en hepatitis op de voorgrond. De acute infectie kan ook alleen koorts geven of zelfs asymptomatisch verlopen. De chronische vorm veroorzaakt en docarditis en vaataandoeningen (aneurysma). C. burnetii komt bij koeien, schapen en geiten vaak voor, zodat vooral veehouders, dierenartsen en slachters besmet kunnen worden. Ook door consumptie van besmette niet-gepasteuriseerde melk en melkproducten is besmetting mogelijk. Bij acute infecties wordt eerst een positieve PCR gevonden (tot twee weken na het begin van de ziekte) en vervolgens worden IgM-antilichamen tegen fase-II-antigeen gevonden. Bij chronische infecties worden vooral IgG-antilichamen tegen fase-I-antigeen gevonden, vaak in combinatie met een positieve PCR. Deze bepalingen worden gebruikt om het effect van de therapie te meten bij de behandeling van chronische hart- en vaataandoeningen door C. burnetii. Van 2007 tot 2010 heerste in het zuiden van Nederland een zeer uitgebreide Q-koortsepidemie met meer dan 3000 gemelde gevallen. De epidemie is vooral terug te voeren op de zeer uitgebreide geitenhouderijen in de regio. Ook schapenhouderijen speelden een rol, weliswaar in mindere mate. Uiteindelijk leidde het ruimen van zwangere dieren in besmette schapen- en geitenbedrijven, in combinatie met verplichte vaccinatie bij alle geiten en schapen in Nederland, ertoe dat in 2011 aanmerkelijk minder acute Q-koortsgevallen werden gemeld. Als gevolg van de acute Q-koortsepidemie is ook een aanzienlijk toename van chronische Q-koortspatiënten gediagnosticeerd in de regio.

24.2.8 Pneumocystose

Pneumocystis jiroveci

Sinds de jaren tachtig komt pneumocystose vooral voor bij patiënten met aids. Ook patiënten met chemotherapie kunnen een infectie met Pneumocystis jiroveci ontwikkelen. P. jiroveci werd oorspronkelijk gerangschikt onder de parasieten, maar DNA-onderzoek toont aan dat dit micro-organisme meer gerelateerd is aan schimmels. P. jiroveci komt voor in de longen van dieren, en bij de mens vooral extracellulair in longblaasjes.

P. jiroveci is het beste door middel van een bronchuslavage te vinden. Er zijn parasieten met dikwandige cysten die vooral volgens Gomori en dunwandige trofozoïeten die vooral volgens Giemsa te kleuren zijn. De diagnose kan worden bevestigd door de PCR. Bepaling van antilichamen in serum heeft geen diagnostische betekenis.

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media 2012

Authors and Affiliations

  • P.M. Schneeberger

There are no affiliations available

Personalised recommendations