Sociaal Bestek

, Volume 80, Issue 2, pp 62–63 | Cite as

Het voordeel van de twijfel

  • Gjalt Schippers
Uitspraak onder de loep
  • 1 Downloads

Samenvatting

In deze editie aandacht voor de aantoonplicht, naar aanleiding van een boetezaak op grond van de Participatiewet (PW). Een bijstandsgerechtigde verzuimde om verkopen via marktplaats door te geven aan de gemeente. Wat betekende dat voor zijn uitkering? En voor de opgelegde boete?

Sinds 1 januari 2013 kennen we in de Participatiewet (PW) weer een bestuurlijke boete. In het verleden was dit bestuursrechtelijke sanctie-instrument ook al eens van kracht in de sociale zekerheid. Deze werd destijds afgeschaft omdat de wetgever meer heil verwachtte van een aangescherpt afstemmingsregime: de ‘maatregel’ in de volksmond. Echter, de rest van de wetgeving stond niet stil, zo is per 1 juli 2009 de Vierde Tranche Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden. In deze aanvulling van ons algemeen bestuursrecht is onder andere een aantal algemene bepalingen rond de bestuurlijke boete ingevoerd. Zo spreekt hoofdstuk 5 Awb van begrippen als overtreder, plegen en medeplegen, maar ook van het feit dat een bestraffende sanctie moet worden gezien als een sanctie die het oogmerk heeft om de overtreder leed toe te voegen. Pure strafrechtelijke termen. De Awb-wetgever ging er daarbij vanuit dat deze begrippen in de loop van de tijd door de rechtspraak voor het bestuursrecht qua betekenis zouden worden ingekleurd. Na invoering is de rechtspraak daar aanvankelijk schoorvoetend mee begonnen. In de sociale zekerheid kwam de rechtspraak erover pas goed los na de herinvoering van de bestuurlijke boete en de aanscherping die de wetgever daar vervolgens nog weer op toepaste (Wet aanscherping inlichtingenplicht). Zo introduceerde de Centrale Raad van Beroep de strafrechtelijke termen opzet en grove schuld, normale verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid in boetezaken. Sindsdien blijft de rechtspraak zich ontwikkelen. Een recente uitspraak van de rechtbank Gelderland roept opnieuw de vraag op aan wie het voordeel van de twijfel moet worden toegekend in het geval van een bestuurlijke boete wegens schending informatieplicht op grond van de Participatiewet (PW). 1

Verdiensten

De nieuwe wegen van communicatie brengen voor de wereld van de PW ook nieuwe uitdagingen met zich mee, vooral waar het gaat om handhaving. Zo kennen we alweer een klein decennium het fenomeen van de website Marktplaats. In eerdere uitspraken hierover heeft de Centrale Raad van beroep al eens geoordeeld dat ‘het voor ontvangers van bijstand niet verboden is om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandsverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan. 2 Daarbij zijn aard en omvang van de verkoopactiviteiten alsmede de daarmee verworven inkomsten van invloed op het recht op bijstand.’ Met andere woorden: zodra een belanghebbende redelijkerwijs kan weten dat zijn internetverkopen van invloed zijn op de hoogte van de aan hem toegekende bijstand, dan dient hij daarvan onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen aan het college.

De zaak

In de casus van de rechtbank Gelderland kon er ten aanzien van de omvang van de aangeboden spullen geen onduidelijkheid bestaan. Uit een door de gemeente ingezet rechtmatigheidsonderzoek kwam aan het licht dat belanghebbende in een periode van elf maanden 333 advertenties had geplaatst. De artikelen die te koop werden aangeboden waren tv’s, fietsen, een scooter, kleding voor zowel kinderen als volwassenen in diverse maten, tassen, schoenen en mobiele telefoons. Overduidelijk een omvang die niet als incidentele verkoop van privégoederen kan worden aangemerkt. Omdat er geen melding was gemaakt van de verkopen is er, zoals ook de rechtbank vaststelt, sprake van een schending informatieplicht. De gemeente gaat over tot intrekking en beëindiging van het recht op bijstand omdat dit niet langer kon worden vastgesteld. ‘Nee hoor, dat recht op bijstand kan wel degelijk worden vastgesteld’, zo stelt de betreffende burger: ‘Immers, de gemeente beschikt over mijn bankafschriften. Daarop zijn de inkomsten te zien.’ De bankafschriften fungeren dan ook als een equivalent van een boekhouding, aldus de burger. De gemeente had dan ook het recht op bijstand schattenderwijs vast kunnen stellen. 3 De rechtbank gaat hier niet in mee en stelt vast dat niet uitgesloten is dat naast de betalingen per bank er ook contant geld is ontvangen. Er zijn immers 333 advertenties geplaatst en daar staan slechts twintig betalingen van particulieren per bank tegenover.

De gemeente kan over de periode van de advertenties het recht op bijstand daarmee niet vaststellen. Daarom volgt een terugvordering van de gehele in de betreffende periode verstrekte bijstand tot een bedrag van € 8.889,41.

Boetezaak

De Centrale Raad van Beroep introduceerde in boetezaken de strafrechtelijke termen opzet en grove schuld, normale verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid.

Maar dan de boetezaak die daarop heeft te volgen. Kan dit terugvorderingsbedrag ook dienen als benadelingsbedrag als bedoeld in artikel 18a lid 2 PW en is het daarmee de grondslag voor de berekening van de bestuurlijke boete? Ja zegt de gemeente, waarbij zij rekening houdt met de factor verminderde verwijtbaarheid, waardoor ze op een boete van 25 procent van het benadelingsbedrag komt, zijnde € 840. Hier heeft de rechtbank echter wat meer problemen mee. De rechtbank verwijst allereerst naar de door de Centrale Raad van Beroep vorig jaar geformuleerde jurisprudentie. 4 Hieruit volgt dat de bewijslast voor een beboetbare gedraging bij het bestuursorgaan ligt en dat bij twijfel aan de uitkeringsontvanger het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Dat de inlichtingenplicht geschonden is in dit geval en dat dit belanghebbende ook verweten kan worden daar gaat de rechtbank nog wel in mee. Echter, bij de vaststelling van de hoogte van de boete kan niet zomaar worden uitgegaan van de hoogte van het benadelingsbedrag. Immers, zo stelt de rechtbank, voor de terugvordering van het benadelingsbedrag is vereist dat de gemeente dit op z’n minst aannemelijk maakt, terwijl voor het opleggen van de boete de hoogte van het benadelingsbedrag door de gemeente moet worden aangetoond. Hoe pakt dat uit in dit geval? Belanghebbende stelt dat hij niet alle goederen via Marktplaats heeft verkocht. Het restant zou via een facebooksite weg zijn gegeven. Dit acht de rechtbank niet onaannemelijk en de gemeente had dit moeten onderzoeken. Er kan voor de boete dan ook niet van worden uitgegaan dat belanghebbende de goederen die hij niet per bank via Marktplaats heeft verkocht, op een andere wijze heeft verkocht en daarvoor contant geld heeft ontvangen. Daarmee is niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende goederen heeft verkocht tot (minimaal) het totaal van de verstrekte bijstand. En daarom is het benadelingsbedrag hieraan niet gelijk te stellen. Wat is dan wel aan te tonen? De rechtbank put daarvoor uit de bankafschriften over de jaren 2014 en 2015. Daaruit blijkt een bedrag van € 521,65 te zijn ontvangen in verband met de verkoop van goederen. De rechtbank gaat ambtshalve over tot het zelf in de zaak voorzien en komt voor de hoogte van de boete op een geheel ander bedrag uit, te weten € 130,41. Daarbij wordt eenzelfde mate van verwijtbaarheid gehanteerd als waar de gemeente in eerste instantie ook al van uit was gegaan, te weten 25 procent. Daarbij wordt uitgegaan dat de boete in een periode van zes maanden voldaan kan worden.

Kan het terugvorderingsbedrag ook dienen als grondslag voor de berekening van de bestuurlijke boete?

Keihard

Wat voegt deze uitspraak toe aan onze wetenschap over hoe met boetes om te gaan? In elk geval dat het terugvorderingsbedrag niet zomaar heeft te gelden als grondslag voor de hoogte van de boete. Het benadelingsbedrag daarvoor dient keihard te worden aangetoond door het bestuursorgaan. Iedere vorm van twijfel hierover dient in het voordeel van de burger uit te pakken. Zoals de Centrale Raad van Beroep al eerder hierover schreef, is de boete namelijk een vorm van strafvervolging. Daarbij moet de burger voor onschuldig worden gehouden totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. 5 De termen over de boete in het bestuursrecht hebben daarmee eenzelfde inkleuring gekregen als in het strafrecht. De wetgever had aanvankelijk met de invoering van de bestuurlijke boete voor ogen om eenvoudige zaken, waar echter wel een vorm van bestraffing op z’n plaats zou zijn, op een relatief eenvoudige wijze af te doen. Inmiddels is het de vraag of aan dit uitgangspunt nog wel tegemoet kan worden gekomen door de administratieve uitvoeringspraktijk.

Noten

  1. 1.
    ECLI:NL:RBGEL:2017:4740Google Scholar
  2. 2.
    ECLI:NL:CRVB:2014:1108 en ECLI:NL:CRVB:2012:BW5987Google Scholar
  3. 3.
    Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2012:BW9395Google Scholar
  4. 4.
    ECLI:N:CRVB:2016:3024Google Scholar
  5. 5.
    Zie de uitspraak onder noot 4AlibusamGoogle Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V. 2018

Authors and Affiliations

  • Gjalt Schippers
    • 1
  1. 1.

Personalised recommendations