TVZ

, Volume 128, Issue 3, pp 22–23 | Cite as

Complementaire interventies

fundament voor kennis- ontwikkeling

Dossier

Het zichtbaar maken van de effecten van complementaire interventies is een uitdaging voor iedere zorgverlener die dit wil integreren in haar praktijk. Immers, complementaire interventies worden meestal toegepast in samenhang met de reguliere verpleegkundige zorg en worden vaak niet als specifiek ingezette interventies gerapporteerd. Hierdoor blijft veel kennis over en effecten van doelgericht toegepaste complementaire interventies verborgen.

Een onrustige bewoner met dementie die Therapeutic Touch (TT) krijgt en onder de handen van de verpleegkundige in slaap valt, levert voor haar voldoende bewijs dat TT werkt. Maar hoe overtuigt ze anderen? Een heldere gevalsbeschrijving is een goede start. Daarom gaven V&VN Complementaire Zorg en het Van Praag Instituut twee hbo-v-studenten van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen de afstudeeropdracht om een bruikbare en onderbouwde richtlijn te maken voor een goede 'case report complementaire zorg'.

Met dank aan Jonah Lardinois en Ruud Cootjans

Case report

Case reports zijn professioneel beschreven verhalen over de diagnose, behandeling en resultaten bij patiënten. In de geneeskunde worden case reports beschouwd als brengers van interessante informatie uit de praktijk. Ze beschrijven meestal één patiënt, met een zeldzame aandoening of met zeldzame bijwerkingen.

In de hiërachie van wetenschappelijk bewijs (zie figuur 1) staan ze redelijk ver onderaan - één succesvol geval levert nooit voldoende bewijs voor de betreffende behandeling - maar een verzameling van casussen vormt wel het fundament van de 'evidence'-pyramide. Case reports leveren interessante informatie uit de praktijk en geven daarmee richting aan meer specifiek effectonderzoek.

Figuur 1 De hiërachie van wetenschappelijk bewijs

De kwaliteit van de casusbeschrijvingen moet wel hoog zijn en vooral consistent. Daarom zijn er richtlijnen ontwikkeld voor het schrijven van een case report. Deze zijn echter vaak medisch en gaan bovendien uit van reguliere interventies. Ze bieden weinig ruimte voor de specifieke kenmerken van complementaire interventies. De onderzoeksvraag luidde dan ook: 'Waaruit dient een richtlijn voor case reports te bestaan, zodat verpleegkundigen een case report kunnen schrijven die recht doet aan de kernpunten van complementaire zorg?'

Een zorgvuldig proces van onderzoek

De onderzoekers startten met een literatuuronderzoek naar bestaande richtlijnen voor case reports. Zij vonden er 12, waarvan er na een strenge selectie 4 overbleven. De onderzoekers hebben deze vervolgens gescoord met behulp van het AGREE II-instrument, een hulpmiddel om de methodologie en transparantie van richtlijnontwikkeling te beoordelen. Daaruit kwamen de CARE-richtlijnen als beste uit de bus.1 Deze richtlijnen zijn ontwikkeld door een groep onderzoekers, waaronder diverse integrative medicine onderzoekers, onder leiding van methodoloog Joel Gagnier.

De CARE-richtlijn bestaat uit 13 elementen met steeds een toelichting. Bij 'interventie' (element 9) bijvoorbeeld word je geacht niet alleen het type interventie te beschrijven, maar ook de aard ervan (dosering en duur) en eventuele afwijkingen van het protocol. Bij element 10 beschrijf je het resultaat van je interventie, onderverdeeld in door de patiënt ervaren en door de zorgverlener geobserveerde resultaten, follow up-(test)resultaten en eventuele bijwerkingen. Een belangrijk element is de discussie (element 11): wat zijn de sterke en zwakke kanten van deze interventie bij deze klacht, hoe sluit het aan bij de wetenschappelijke literatuur, hoe ben je tot de keuze en conclusies gekomen?

Focusgroep interviews

Toen eenmaal de keuze voor de CARE-richtlijn was gemaakt, is deze voorgelegd aan focusgroepen bestaande uit verpleegkundigen afkomstig uit verschillende zorgsectoren die complementaire zorg toepassen. De onderzoekers hebben de groepsgesprekken van de focusgroepen volledig uitgeschreven en geanalyseerd volgens de Grounded Theory-methode.

De verpleegkundigen waren het erover eens dat de CARE-richtlijn een prima basis vormt voor het beschrijven van complementaire zorg vanuit verpleegkundig perspectief. Hij hoeft niet veranderd te worden, maar er is wel aanvulling nodig. In element 5 bijvoorbeeld, dat gaat over de persoon en zorgvraag van de patiënt, is onvoldoende aandacht voor de gehele persoon. Aanvulling is dus nodig op het gebied van spirituele beleving, sociale omgeving, mate van welbevinden en relevante gewoontes.

Element 10 - follow up en resultaten - moet volgens de ondervraagde verpleegkundigen aangevuld worden met holistische verpleegkundige observaties en het direct waarneembaar effect op de patiënt, het resultaat op welbevinden, het proces van de patiënt en het effect op eigen herstel van de patiënt. Direct waarneembare effecten op korte termijn kunnen zijn: veranderingen in de gelaatskleur, gezichtsuitdrukkingen, het laten zien van emoties en de (on)tevreden uitstraling van de patiënt. Ook kunnen objectief waarneembare vitale functies veranderen na een complementaire interventie, zoals rustiger ademhalen of een verlaagde hartslag. Heel belangrijk vinden de verpleegkundigen dat de patiënt zoveel mogelijk zelf gevraagd wordt naar het ervaren effect. De onderzoekers schreven uiteindelijk een document met de dertien elementen van de CARE- richtlijn, waaraan een extra kolom met aanvullingen per element is toegevoegd.

Toetsing door panel van experts

Leden van de V&VN-afdeling Complementaire Zorg toetsten de aangepaste richtlijn aan vijf verschillende cases met verschillende complementaire interventies. Deze leden worden gezien als experts: ze volgden geaccrediteerde scholing en passen complementaire interventies toe in hun zorgpraktijk. Hun ervaringen bij de toetsing van de aangepaste richtlijn zijn meegenomen bij het schrijven van de uiteindelijke richtlijn 'Case report complementaire zorg'.

Case reports en de reflectieve professional

In het expertisegebied verpleegkundige complementaire zorg is ruim aandacht voor de rol van de reflectieve professional. Reden hiervoor is het feit dat de complementair verpleegkundige werkt in een veld dat volop in ontwikkeling is en kritisch gevolgd wordt door beroeps- genoten en andere hulpverleners in de gezondheidszorg. Dit vraagt om een reflectieve houding en focus op evidence-based practice en evidence-informed practice.2

De case study is een specifieke vorm van kwalitatief onderzoek, het "actie-onderzoek". Zo blijkt uit literatuur over onderzoek in de klinische omgeving. Volgens Freshwater & Bishop kan actie-onderzoek een aantrekkelijk paradigma zijn voor de verpleegkundige omdat deze onderzoeksmethode kan bijdragen aan de ontwikkeling van kennis.3 En dit kan leiden tot verandering en evaluatie van die verandering.2 In een bijzondere vorm van actie-onderzoek, reflexive action research, kan de verpleegkundige de beide rollen van onderzoeker en praktijkvoerder aannemen. Reflectief actie-onderzoek is gebaseerd op het proces van reflectie-in-actie waarbij de verpleeg-

kundig onderzoeker zich een beeld vormt van de situatie, een theorie ontwikkelt, de theorie test door een interventie te construeren en implementeren, de nieuwe situatie evalueert en indien nodig de theorie aanpast.4

Reflectief actie-onderzoek biedt de verpleegkundige in de rol van reflectieve professional de uitdaging om nog niet of onvoldoende bewezen, maar veilige interventies toe te passen in de praktijk en de effectiviteit ervan in de klinische situatie te evalueren met de patiënt en collega's. Ze kan meewerken aan de ontwikkeling van evidence-informed practice door haar ervaringen op een systematische en toetsbare wijze te communiceren. De richtlijn 'Case report complementaire zorg' kan de verpleegkundige hierin ondersteunen.

REFERENTIES

  • 1. Riley D, Gagnier J, Kienle G, e.a. CARE Guideline: Website for Case Reports. CARE Steering Committee. www.Care-statement.org.

  • 2. Strybol N, Jansen C. Expertisegebied Verpleegkundige Complementaire Zorg. Utrecht: V&VN; 2017.

  • 3. Freshwater D, Bishop V. Nursing Research in Context: Appreciation, Application & Professional Development. New York: Palgrave Macmillan; 2004.

  • 4. Rolfe, G. Nursing Praxis and the Reflexive Practitioner. London: Nursing Praxis International, Collected Papers series; 2000.

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum is een imprint van Springer Media B.V., onderdeel van Springer Nature  2018

Authors and Affiliations

  1. 1.Bohn Stafleu van LoghumHoutenNetherlands
  2. 2.Bohn Stafleu van LoghumHoutenNetherlands

Personalised recommendations