Tijdschrift voor Psychotherapie

, Volume 43, Issue 3, pp 171–173 | Cite as

Inleiding

Article
  • 179 Downloads

Over niet al te lange tijd – wellicht achterhaald als dit nummer verschijnt – zal er in Nederland een nieuw kabinet gevormd zijn. Eén ding is zeker: de huidige minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Edith Schippers, zal daar geen deel meer van uitmaken. Zij neemt afscheid van de politiek.

Als VVD-minister heeft zij, niet erg gehinderd door haar regeringspartner, vooral op het gebied van de bekostiging van de zorg een (neo)liberale agenda uitgevoerd: marktwerking, meer concurrentie tussen aanbieders, een veel grotere rol voor zorgverzekeraars, meer controle en verantwoorden, en daarmee een toename van de administratieve last voor zorgaanbieders. Schippers wordt in de politiek over het algemeen als een bekwaam en succesvol minister gezien, als ‘de eerste die de ongebreidelde groei van de kosten van de gezondheidszorg heeft weten af te remmen.’

Voor velen werkzaam in de gezondheidszorg en voor een groot aantal patiëntengroepen heeft dit succes een wrange bijsmaak. De financieel-economische veranderingen hebben in het veld forse verschuivingen veroorzaakt. Er zijn GGZ-instellingen failliet gegaan, er zijn instellingen gekrompen – soms door psychotherapeuten te laten ‘afvloeien’ – en de druk op productie en externe verantwoording is bovenmatig toegenomen. Er zijn vrijgevestigden gestopt, maar het aandeel van kleine en middelgrote samenwerkingsverbanden van vrijgevestigden is gegroeid. De algemene mening van de professionals in de zorg is dat de druk, vooral de ‘productiedruk’, aanzienlijk is toegenomen; hetzelfde lijkt te gelden voor de wachttijden. De zorgkosten zijn misschien minder gegroeid, de patiënt lijkt over het algemeen geen betere zorg te krijgen (soms slechtere) en werken in de zorg is zwaarder geworden. Dit alles lijkt de keerzijde van het zo succesvolle ‘afbuigen van de groeicurve van de gezondheidszorgbudgetten’.

In de regeerperiode van Schippers is ook een poging gedaan om de kwaliteit van de in de GGZ uitgevoerde behandelingen te verbeteren. Zij en haar ambtenaren bedoelden dit als een tegenwicht tegen een eenzijdige focus op kosten. Marktwerking zou niet alleen concurrentie op kosten moeten inhouden, maar ook een concurrentie op kwaliteit.

In samenwerking met de verschillende partijen is een Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGZ ontstaan, dat in de komende tijd kwalitatief goede zorg gaat beschrijven in zorgstandaarden (de opvolger van de multidisciplinaire richtlijnen) en modules, zoals de Module Psychotherapie. In die documenten zal het perspectief van de patiënt centraal staan; de wetenschappelijke onderbouwing ofwel de empirische ondersteuning (evidence-based) zal de dominante toetssteen zijn. De komende maanden en jaren zullen er uit deze koker vele documenten komen, waarbij een stevige poging gewaagd wordt om een nieuwe norm voor kwaliteit te omschrijven.

De beroepsverenigingen gaan mee in deze trend; de laatste jaren zijn er veel beroepsregisters gegrondvest, van het Kwaliteitsregister Psychotherapie van de NVP tot de verschillende registers van de verenigingen die nieuwe therapievormen vertegenwoordigen, zoals DGT, ST, MBT, TFP, AFT, EFT, KPSP en EMDR.

Voorlopige conclusie: de kost is wel erg voor de baat uitgegaan. De financiële effecten zijn al jaren voelbaar, de minister heeft daar de complimenten voor ontvangen, het veld worstelt met de gevolgen en de ‘kwaliteitsimpulsen’ zijn nog nauwelijks zichtbaar.

Het Tijdschrift voor Psychotherapie levert al zo’n 45 jaar een bijdrage aan ‘de kwaliteitsontwikkeling en -borging van de psychotherapie’, om in het taalgebruik te blijven van de newspeak die bij dit soort politieke ontwikkelingen hoort. Ook dit nummer geeft daar blijk van. Nicole Vliegen, Stefanie Hesemans, Femke Permentier en Eileen Tang zullen bij veel lezers voor het eerst het concept Narratieve Story Stem Technieken ter sprake brengen, een werkwijze waarmee psychotherapeuten zicht kunnen krijgen op de binnenwereld van kinderen. Een kind wordt met deze techniek uitgenodigd een verhaal te vertellen. De behandelaar heeft de kennis om het vertelde van verschillende kanten te bekijken en kiest hoe dit voor de patiënt therapeutisch te benutten.

De bijdrage van Arpi Süle gaat eveneens over het behandelproces, maar nu bij volwassenen. Al eerder (in 2013) beschreef hij in dit tijdschrift vier invalshoeken voor procesdiagnostiek, verschillende manieren om naar stagnaties in behandeling te kijken en aangrijpingspunten te vinden om de behandeling weer op gang te helpen. In het nu gepubliceerde artikel introduceert hij vier bijbehorende oefeningen voor de psychotherapeut. Hij biedt de lezer de gelegenheid om er meteen mee te oefenen en het toe te passen op een eigen patiënt.

Het laatste artikel is verbonden met de Wim Trijsburgprijs van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie. Nadat in 2013 Anton Hafkenscheid als eerste de prijs voor senior collega’s had ontvangen, werd eind 2015 de eerste Wim Trijsburgprijs voor junior collega’s uitgereikt. Prijs en winnares, Marija Maric, worden in dit nummer door de juryvoorzitter voorgesteld. Bij de prijs hoort dat de winnaar of winnares uitgenodigd wordt om in een artikel in dit tijdschrift thematiek uiteen te zetten die kenmerkend is voor zijn of haar werk. Maric gebruikt de geboden ruimte om haar visie te geven op de afstand die vaak bestaat tussen wetenschappelijk onderzoek en de klinische praktijk. Als waarachtige scientist-practitioner komt zij met concrete voorstellen om praxis en academia dichter bij elkaar te brengen.

Met de kwaliteit zit het wel goed in deze aflevering van het tijdschrift. Nu moeten we nog de kans krijgen om die kwaliteit ook in de praktijk van de GGZ toe te passen.

Copyright information

© Stichting Tijdschrift voor Psychotherapie 2017

Authors and Affiliations

  1. 1.Den HaagNederland

Personalised recommendations