Vakblad Sociaal Werk

, Volume 19, Issue 2, pp 22–22 | Cite as

Geplaatst op www.mks.nl > uitgelicht op 6 maart 2018: Zwerfkinderen en bedelaars in de 16de eeuw

  • Liesbeth Simpelaar
Verleden in beeld
  • 16 Downloads

Samenvatting

Dit schilderij laat de inschrijving zien van wezen en vondelingen in het Aalmoezeniershuis in Amsterdam. De figuren met de witte, luxueuze kragen (zgn. molensteenkragen) zijn de regenten van het stadsbestuur en hun vrouwen.

Dit schilderij laat de inschrijving zien van wezen en vondelingen in het Aalmoezeniershuis in Amsterdam. De figuren met de witte, luxueuze kragen (zgn. molensteenkragen) zijn de regenten van het stadsbestuur en hun vrouwen. Het stadsbestuur had het toezicht op het weeshuis; links heeft een vrouw een grote sleutelbos vast en het wapen van Amsterdam ligt duidelijk zichtbaar op een stoel. Een vrouw zit een baby te voeden en de grotere kinderen kijken vol vertrouwen op naar de regenten.

Om zwerfkinderen van de straat te halen en bedelarij te voorkomen kwamen er in bijna elke Nederlandse stad weeshuizen, waar de kinderen konden opgroeien tot eerzame, vrome en economisch zelfredzame burgers. Meisjes werden voorbereid op het huwelijk door te leren handwerken, spinnen en weven, jongens gingen bij een ambachtsman in de leer. Regenten, kinderloze echtparen of priesters en ongetrouwde vrouwen (zoals begijnen) hielden de kinderen in het gareel; van individuele opvoeding was nog geen sprake.

Weeshuizen waren één van de middelen om bedelarij tegen te gaan. Het aantal rondtrekkende bedelaars (zwervers, gebrekkigen, prostituees) nam door armoede, grote migratiestromen, epidemieën en onregelmatige werkgelegenheid sterk toe. Maar de tolerantie verminderde. Bedelaars waren gewoon lui, en een gevaar voor de burgerlijke deugdzaamheid: ze hadden geen meester, gingen niet naar kerkdiensten, ze stalen, waren crimineel en brachten door hun zwervend bestaan ziektes met zich mee. Stadsbesturen verboden het bedelen door landlopers en mensen die niets aan hun lijf mankeerden, en christelijke plichten als gastvrijheid en het spijzen van hongerigen beschouwde men steeds meer alleen van toepassing op brave medeburgers uit eigen stad. Desondanks bleef spontane liefdadigheid bestaan en was het bedelen niet uit te roeien, en allengs kwamen er strengere maatregelen. In 1596 werd in Amsterdam het eerste werkhuis voor werkonwilligen opgericht, het rasphuis. Bedelaars werden van de straat geraapt en moesten zware lichamelijke arbeid verrichten: bomen raspen, als grondstof voor verf. Als ze zich niet aan de regels hielden riskeerden ze de galeien (tewerkstelling als galeislaaf). Voor vrouwen werd het spinhuis opgericht, eveneens in Amsterdam. Ook in armenhuizen werden mensen tewerkgesteld; op die manier probeerden gasthuizen financieel zelfonderhoudend te zijn, wat vaak niet lukte.

Tewerkstelling werd hèt medicijn tegen armoede, maar bleek niet altijd even succesvol. Want, zoals de zestiende eeuwse schrijver Cervantes fijntjes opmerkte: ‘Het is iets heel anders om discipline aan te prijzen dan om je eraan te onderwerpen.’

Bronnen

  1. Werner Jacobszn. van den Valckert (1626) Inschrijving van armen en wezen in het Aalmoezeniershuis. Vrij van auteursrechten via commons.wikimedia.org Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum is een imprint van Springer Media B.V., onderdeel van Springer Nature 2018

Authors and Affiliations

  • Liesbeth Simpelaar
    • 1
  1. 1.

Personalised recommendations