Advertisement

Bijblijven

, Volume 26, Issue 2, pp 68–74 | Cite as

Lijf en lijden: psychische reacties en verwerking van lichamelijke aandoeningen

Artikel
  • 725 Downloads

Samenvatting

Lichamelijke klachten brengen psychische belevingen mee en andersom, maar: de samenhang hiertussen is niet strikt ziektespecifiek en niet altijd ‘rationeel’. Bovendien is de visie van arts en patiënt op deze dynamiek niet altijd gelijkluidend. Elke soort ziekte heeft weliswaar een bepaald beloop met daarbij behorende stressoren en levenstaken, maar patiënten hebben een ‘persoonlijke ziektespecifieke’ beleving. Het is van belang dat de huisarts de perceptie van de patiënt expliciet uitvraagt, betreffende bijvoorbeeld: a. de verklaarbaarheid van de klachten; b. perceptie, inzicht en reflectie bij de patiënt; c. het vermogen tot adaptatie en/of verwerking bij de patiënt. Al zal lang niet elke patiënt gespecialiseerde hulp wenselijk vinden, het is professioneel gezien adequaat dat huisartsen een gesprekspartner kunnen zijn voor patiënten die hun klachten of ziekte niet kunnen ontvluchten.

Inleiding

Huisartsen merken waarschijnlijk dagelijks aan hun patiënten dat lichaam en geest elkaar beïnvloeden. Als mensen een lichamelijke klacht ervaren, reageren zij daar psychisch op, ongeacht of de lichamelijke klacht medisch gezien ‘verklaarbaar’ is of niet en ongeacht of zij zich bewust zijn van deze soma-psyche-interactie. Soma en psyche zijn weliswaar te onderscheiden, maar zijn tevens voortdurend in interactie. Het is niet vanzelfsprekend dat mensen hierin een reflectieve verhouding aannemen: je hébt niet alleen je lichaam, je bént ook je lichaam.1 Het bewustzijn hiervan groeit hooguit met de jaren en blijft ook dan complex. ‘Het lichaam is alles wat we hebben’: we ondergaan onszelf, ons lichaam ontwikkelt zich in verwevenheid met ons ‘Ik’, we verenigen ons ermee, verzorgen en/of overvragen het, we takelen af, we sterven.2

In Nederland heeft naar schatting zo’n 16% van de bevolking psychische problemen (http://www.rivm.nl/, Nationaal Kompas Volksgezondheid). mensen met psychische problemen hebben bijna twee keer zo vaak contact met de huisarts als mensen met alleen lichamelijke klachten. Dat komt niet alleen omdat ze hulp vragen vanwege hun psychische problemen, maar ook omdat ze meer lichamelijke klachten hebben dan mensen zonder psychische problemen (http://www.nivel.nl/).3

Een deel van deze patiënten zijn ‘chronisch somatiserende patiënten’; een ‘moeilijke’ groep patiënten, omdat ze frequent op consult komen, steeds weer op zoek zijn naar een medische verklaring voor hun klachten en bij de arts nogal eens gevoelens van machteloosheid of irritatie oproepen. Dergelijke patiënten reflecteren niet of nauwelijks over een mogelijke relatie tussen hun lichamelijke klachten enerzijds en eventuele psychische stress, blokkades of persoonlijke levensproblemen anderzijds; ze kennen op een rigide manier bepaalde somatische oorzaken toe aan hun klachten (attributie); verwijzing naar een psycholoog stuit bij hen dan ook vaak op weerstand.4

Naast de ‘somatiserende patiënten’, patiënten met niet-medisch verklaarbare lichamelijke klachten of alleen een ‘beschrijvende diagnose’ (zoals fibromyalgie), zijn er natuurlijk ook patiënten met aantoonbaar lichamelijke aandoeningen. Hieronder zijn er wellicht patiënten die geen problemen hebben bij het omgaan met en verwerken van hun ziekte, maar in het algemeen is er ook bij deze mensen een interactie gaande tussen hun psyche, hun lichaam en hun lichamelijke aandoening. Vrij recente onderzoeksgegevens van het Trimbos-instituut over comorbiditeit van lichamelijke en psychische problemen in de algemene bevolking laten zien dat mensen met lichamelijke aandoeningen ongeveer anderhalf keer zoveel kans hebben op psychische stoornissen dan mensen zonder ziekte. Het gaat bij dit onderzoek om vijf typen aandoeningen: astma/COPD, reuma, chronische rugpijn, hoge bloeddruk en spijsverteringsproblemen. Zo had 34% van de mensen met een spijsverteringsprobleem het afgelopen jaar een psychische aandoening, tegenover 23% van de mensen zonder spijsverteringsproblemen. Verder bleek dat de onderzochte groep (met uitzondering van astmapatiënten) vaker gebruikmaakt van gezondheidszorgvoorzieningen voor psychische problemen dan mensen zonder dergelijke aandoeningen (bron: NEMESIS, landelijk onderzoek naar de geestelijke gezondheid van de algemene Nederlandse bevolking van 18-65 jaar, 1996-1999).5 Een eerdere metastudie naar adaptatieopgaven van mensen met een chronisch-somatische aandoening liet zien dat sommige aandoeningen meer fysiek, andere meer mentaal belastend zijn (bijvoorbeeld cardiovasculair tegenover gastro-intestinaal), maar ook dat fysieke problemen meer ziektespecifiek zijn en mentale problemen meer ziektegeneriek zijn.6 Een inventarisatie onder patiëntenverenigingen toonde eenzelfde beeld (Pool, et al. 2004, pp. 21-48).7 Daarbij kwam tevens naar voren dat, over het algemeen, veel patiënten de mentale belasting van hun ziekte zwaarder inschatten dan de fysieke. Uit ander onderzoek is gebleken dat niet zozeer de diagnose, maar de mate waarin men controle ervaart over de ziekte alsmede bijkomende lasten (beperkingen, pijn) bepalend zijn voor de coping-inspanningen die men pleegt.8,9 Uit hetzelfde onderzoek kwam tevens naar voren dat chronisch zieken en huisartsen niet hetzelfde oordelen over de rol van diverse adaptieve opgaven die aandoeningen met zich mee kunnen brengen, zoals het omgaan met fysieke beperkingen, met pijn, sociale of mentale beperkingen met een wisselend beloop, progressiviteit, levensbedreigendheid, etc. Naarmate die overeenstemming minder is, is het gebruik van psychosociale en alternatieve hulpverlening groter. Met andere woorden: wil een huisarts goed kunnen inspelen op de zorgbehoefte van dergelijke patiënten, dan moet hij niet alleen op zijn eigen oordeel afgaan, maar in dialoog met de patiënt een duidelijk beeld zien te krijgen van diens ziektepercepties.9 Dat is niet zo eenvoudig, want patiënten zijn zich lang niet altijd bewust van de eventuele relatie tussen hun lichamelijke klachten en hun psychische dynamiek en/of houden zich hiermee op een heel persoonlijke, ideosyncratische manier bezig.

In deze bijdrage worden allereerst de psychische reacties bij ernstige en/of chronische ziekten besproken en vervolgens wordt nader ingegaan op de reacties van de patiënt aan de hand van drie factoren: de verklaarbaarheid van de klachten, de perceptie van de patiënt en zijn vermogen tot verwerking. We eindigen met een conclusie en handvatten voor de praktiserende huisarts.

Soorten problemen

Wat zijn psychische reacties die kunnen voorkomen bij ernstige en/of chronische ziekte? Angst, neerslachtigheid, woede, ontkenningsreacties of terugtrekgedrag met eventueel alcohol- of drugsgebruik zijn reacties die over het algemeen bij bedreiging van het individuele leven, waaronder dus ook ziekte, kunnen optreden. Daarnaast gaan bepaalde ziekten relatief vaak gepaard met stemmings- of angstproblemen, zoals depressie bij MS en de ziekte van Parkinson of angst bij een hormonale stoornis zoals hyperthyroïdie. Maar, zoals in de vorige paragraaf al genoemd werd, het is moeilijk om zeer ziektespecifieke reacties te onderscheiden. In het Handboek psychologische interventies bij chronisch-somatische aandoeningen worden tien verschillende somatische aandoeningen behandeld (Pool et al., 2004, hfdst. 35 t/m 44), waarbij deskundigen onder andere beschrijven wat zoal de psychische kenmerken zijn bij een bepaalde ziekte; tabel 1 geeft daarvan een indruk.7
Tabel 1

Somatische aandoeningen en psychische problemen.7

Somatische aandoening

Mogelijke psychische problemen

1. Fibromyalgie (F)enreumatoïde artritis (RA)

F: verhoogde angst, prikkelbaarheid, depressie, omgaan met pijn en moeheid, machteloosheid, falende coping (vicieuze cirkel), sociaal isolement, geen ‘medische’ verklaring.RA: angst vanwege onzekerheid over progressie, verlies van bezigheden, afhankelijkheid, machteloosheid, verlies van eigenwaarde, depressie.

2. Nierziekten

Sociale druk tot ‘acceptatie’, sociaal isolement; moeite met compliance, dialyse: vrijheidsverstoring; bij weinig klachten: neiging tot ontkenning, selectief toelaten van informatie; transplantatie: omgaan met onzekerheid, teleurstellingen (wachten, afstoting), omgaan met de donor (in geval van familie), omgaan met het leven ná transplantatie.

3. MSenziekte van Parkinson (P)

MS: Onzekerheid, onvoorspelbaarheid, progressiviteit, (dreiging van) invaliditeit; geheugen- en concentratieproblemen (neurologisch); existentieel: omgaan met toekomstplannen.P: onzekerheid (trage progressie), praat- en slikproblemen, traagheid, afnemende actieradius, invaliditeit en dementie (25%), en subtiele cognitieve tekorten (neurologisch), waardoor communicatieproblemen en (dreiging van) toenemend isolement en afhankelijkheid.

4. Maag-, darm- en leveraandoeningen

Omgaan met verslechtering van kwaliteit van leven, moeite met beroepsuitoefening; diagnostische twijfels (waaronder somatisatie), waardoor moeilijke afstemming met medisch beleid; gêne (bijv. vanwege incontinentie of stoma), angst voor afwijzing; malaise; depressie, eigen rol in klachten; jongeren: beperkingen in ontwikkelingsmogelijkheden. Lever: transplantatieproblematiek (zie nieren).

5. Astma en COPD

Lichamelijk en sociaal geremd vanwege (risico van) benauwdheid; eigen rol in oorzaak (roken) of in slecht volgen van leefregels; onvoorspelbaarheid kan leiden tot illusie van genezing, dan wel boosheid, machteloosheid, onzekerheid en negatief zelfbeeld; angst te stikken. Neurologisch wellicht geheugen- en concentratieverlies vanwege zuurstoftekort in het bloed.

6. Diabetes mellitus (type 1 en 2)

Noodzaak van zelfzorg (‘diabetes burn-out’), eetstoornissen, overgewicht, verhoogde kans op depressie, stress en angst (deels biochemisch?), evt. spuit- en prikfobie; sociale overbetrokkenheid, seksuele problemen (impotentie), sociale beperking door oogproblemen, evt. amputaties.

7. Vormen van kanker

Fasegebonden psychische belasting; angst voor behandelingen, voor terugkeer van de ziekte, voor verder lijden; onzekerheid over eigen lichaam, eenzaamheid en isolement; verdriet en beperkingen door mutilatie, verlies van gezins- en sociale rollen, evt. omgaan met erfelijkheid; evt. snelle confrontatie met de dood.

8. Cardiovasculaire aandoeningen

Angst voor negatieve rol van negatieve emoties; verslechterde kwaliteit van leven; angst voor behandeling; sociaal isolement, geremde emotie-uiting; stressgedrag; angst voor plotseling einde; vermijdingsgedrag; depressie/negatief toekomstbeeld.

9. Atopisch eczeem

Sociale afwijzing & beperking, sociale vermijding, gêne; angst, depressie; stress versterkt klachten; lichaams- en zelfbeeld; afhankelijk van aanvangsleeftijd; identiteitsproblemen.

10. Niet-aangeboren hersenletsel (CVA, hersentrauma, zuurstoftekort, tumoren)

Cognitief: problemen in oriëntatie, aandacht, tempo, geheugen, waarneming, handelingsplanning; decorumverlies.Emotioneel: depressie, angst, spanning, paniek, apathie, ontremming, egocentriciteit, libidoverandering, etc.Gedrag: individuele en sociale beperkingen, verlies van sociaal vermogen, sociaal isolement (stress en rouw in de omgeving van de patiënt).

In kaart brengen van psychische reacties

Om een beeld te krijgen van de ziekteperceptie en de psychische reactie en/of adaptatie van zijn patiënt kan de huisarts een gesprek aangaan over de factoren die hierin een rol kunnen spelen. We noemen hier de volgende:
  • de medische, dan wel psychische verklaarbaarheid van de (lichamelijke) klachten, volgens de patiënt zelf en volgens de arts;

  • perceptie, inzicht en reflectie aangaande de ernst en het beloop van de klachten bij de patiënt;

  • de motivatie c.q. het vermogen tot adaptatie en/of verwerking bij de patiënt.

Het vervolg van dit artikel gaat, aan de hand van een casus, in op deze punten.

Casus

Bert H. is 48 jaar, geschoold als administrateur en als zodanig parttime werkzaam in een provinciehuis, maar gedeeltelijk ook sinds twee jaar in de ziektewet vanwege chronische lymfatische leukemie (CLL). Hij is best gelukkig getrouwd met een steunende vrouw, heeft drie volwassen kinderen (een zoon van 26 en twee dochters van 24 en 23 jaar, en sinds kort een kleinkind van zijn oudste dochter). Enige jaren geleden kreeg hij vermoeidheidsklachten en bezocht de huisarts, die hem na enkele consulten doorstuurde naar het ziekenhuis, alwaar naar voren kwam dat hij leed aan CLL, in stadium II: een vergrote lever en milt, en toegenomen lymfocyten in zijn bloed. Bert was erg onder de indruk van deze diagnose: hij had dus een soort kanker – dat zoiets juist hem moest overkomen! Vooralsnog was er volgens de specialist, behalve regelmatige controles, me-disch gezien niet veel actie noodzakelijk. Maar: Bert ging steeds minder de deur uit, zijn ziekteverzuim nam toe, hij kon zich moeilijk concentreren, werd prikkelbaar en kon niet meer genieten, zelfs niet van zijn kleinkind. Bovendien schaamde hij zich voor zijn inadequate gedrag. Hij ging opnieuw naar de huisarts vanwege toenemende moeheid en concentratieproblemen, en omdat hij dacht te voelen dat de ziekte aan het oprukken was. Echter, de huisarts deelde zijn mening niet, op grond van de informatie van de specialist en omdat hij bemerkte dat Bert nogal zat te somberen en te piekeren over zijn ziekte. Dat is toch zonde bij een prognose met toch wel een behoorlijke levensverwachting en goede behandelingsmogelijkheden, dacht de huisarts. Hij besloot Bert uit te nodigen voor enkele gesprekken over zijn situatie. Welke aspecten spelen in de casus van Bert een rol?

Medische en psychische verklaarbaarheid van de (lichamelijke) klachten

De huisarts en Bert zijn het erover eens dat de moeheid die Bert ervaart past bij zijn medische aandoening, maar de moeheid is dusdanig dat de arts denkt dat er tevens een psychische component is; de overige psychische reacties van Bert zijn weliswaar begrijpelijk, maar de heftigheid ervan wekt een zekere zorg bij de huisarts, alsook bij de familie van Bert. De huisarts stelt voor de ziektegeschiedenis van Bert samen te bespreken aan de hand van een ziektebeloopschema (zie figuur 1). Elke ziekte heeft medisch gezien een specifiek, gefaseerd beloop; elke fase brengt eigensoortige betekenisvolle informatie, problemen of stressoren met zich mee, waarmee de patiënt zich psychisch moet verhouden. Afhankelijk van de eigen ziekteperceptie en de persoonlijke voorgeschiedenis, zal iemand op zijn ziekte reageren, zich aanpassen en eventueel komen tot verwerking.
Figuur 1

Algemeen ziektebeloopschema.7

Voor Bert was het verhelderend om samen met zijn huisarts per fase zijn eigen medische ziektebeloop tot nu toe te bespreken en ook zijn voorstelling over zijn toekomst. Daardoor kwam er voor hem tevens een beter onderscheid tussen aspecten die medisch gezien direct verbonden zijn met de aard van zijn ziekte enerzijds en zijn eigen ideeën over zijn ziekte anderzijds: zijn vooronderstellingen en angsten over de toekomst, zijn stressoren in werk en gezin, en zijn persoonlijke geschiedenis. Het bracht voor Bert met name veel emotie teweeg te kijken naar het gedeelte ‘geen ziektevrije periode’, maar achteraf was hij erg opgelucht hierover gesproken te hebben. Dit gesprek bood een opening om nader stil te staan bij zijn ziekteperceptie.

Perceptie, inzicht en reflectie bij de patiënt

Patiënten maken, afhankelijk van het beloop van hun ziekte en afhankelijk van het geheel van hun context, diverse inschattingen over hun ziekte. Leventhal en Nerenz onderscheiden, op grond van onderzoek, vijf aspecten waarover patiënten inschattingen maken (zie figuur 2): a. de klachten en symptomen; b. de duur van de ziekte; c. de mogelijke oorzaken; d. de ernst van de gevolgen; e. de mate van controle over dit alles.10 Deze inschattingen kunnen gebaseerd zijn op reële (algemeen erkende en/of medisch beschreven) factoren, maar ook opgeroepen worden door gevreesde factoren. Een patiënt weet vaak niet welke inschattingen reëel en welke irreëel zijn. Hij hanteert een soort impliciete, persoonlijke kennis (assumptie), die niet gecontroleerd wordt. Onderzoek heeft laten zien dat de ziekteperceptie invloed heeft op het gedrag van patiënten en dat bijstellingen hierin een positief effect kunnen hebben op de gezondheidsbeleving.11
Figuur 2

Ziekteperceptiemodel.10

Voor Bert waren de aanloopklachten (moeheid) vrij vaag geweest. De symptomen die achteraf alarmerend bleken te zijn (bloedwaarden), had hijzelf niet kunnen waarnemen (a). Dit maakte dat Bert ook zijn huidige klachten zag als schimmig, moeilijk in te schatten en vooral verraderlijk; het maakte hem hyperalert en onzeker (e). Weliswaar had de specialist intussen aangegeven dat de behandelmogelijkheden relatief uitgebreid waren, voor Bert was de tijdsbeleving van de ene op de andere dag aan het wankelen gebracht: hij voelde zich in de houdgreep van een tijdbom en wist niet hoe hij zelf vorm zou kunnen geven aan de hem resterende levenstijd (b). Het bleek dat Bert zijn leven lang al geplaagd werd door een gevoel tekort te schieten en een navenante wens het goed te doen; daardoor tobde Bert over de mogelijke oorzaak van zijn ziekte (c). Steeds zei hij tegen zichzelf: ‘Je kunt er niets aan doen’, maar even vaak vroeg hij zich af wat hij verkeerd gedaan had, waarom hem deze ziekte was opgelegd. Dit maakte een kinderlijke kwetsbaarheid in hem wakker. De ernst van de gevolgen (d) waren in de perceptie van Bert duidelijk: ik ga dood aan deze ziekte. Alleen, zijn visie was eenduidig, zwart-wit en desastreus. Hij kon geen nuance aanbrengen; zodra hij er een woord over zou willen zeggen, raakte hij van de kaart. Hij zat opgesloten in een dichtgeschroefde doodsangst en had daardoor geen enkele bewegingsvrijheid om met zijn huidige leven en toekomst om te gaan. Hij was niet in staat te beleven dat het momenteel eigenlijk behoorlijk goed met hem ging; er was voor Bert geen ‘nu’. Uit dit geheel komt naar voren dat Bert weinig controle ervoer over zijn situatie (e): de ziekte zou niet verdwijnen, hij kon er geen invloed op uitoefenen, hij had moeite de tijd die er was te ervaren als voor hem bruikbaar, hij neigde ertoe zichzelf als oorzaak van zijn ziekte te zien en leek emotioneel gefixeerd op het meest dramatische eindpunt, zijn dood. Met andere woorden: hoewel de ziektedreiging als zodanig reëel was, had Bert op diverse fronten een zeer negatieve ziekteperceptie. Die zou ook gematigder kunnen uitvallen, mits hij andere en meer flexibele assumpties had.

De huisarts had enkele gesprekken met Bert over zijn ziektepercepties en ook dit was voor Bert emotioneel confronterend en zwaar, maar het bracht bij hem wel inzicht op gang over hoe hij tegen zichzelf met zijn ziekte aankeek en hij begreep ook beter waarom hij zo neerslachtig en apathisch was. Hij kon iets meer afstand nemen van zijn situatie en denken: hoe ben ik vandaag eigenlijk bezig? Toch vond hij het moeilijk te bevatten waarom nu juist hij zo’n moeite had om iets ‘reëler’ met zijn mogelijkheden om te gaan. Hij had geen idee over een eventuele relatie tussen zijn ziekteperceptie en zijn persoonlijke voorgeschiedenis.

Motivatie c.q. het vermogen tot adapatieen/of verwerking bij de patiënt

Schüssler onderzocht de invloed van ziekteconcepten (zoals beschreven door Lipowski) op copinggedrag: wordt een ziekte gezien als uitdaging, als vijand, als straf, als opluchting/alibi, als strategie of als waarde.12,13 Het bleek, bijvoorbeeld, dat mensen die hun ziekte zien als straf, neigen tot negatieve emotionele coping (rumineren, neerslachtigheid) en primitieve afweer (zoals projectie, somatisatie, agressie op zichzelf richten); ze zien de ziekte als iets groots, buiten zichzelf en niet als horend bij hun leven. Anderzijds, mensen die hun ziekte zien als waarde, ervaren hun ziekte als onderdeel van hun eigen leven, behorend bij hun levensverhaal en hebben het vermogen tot integratie en ‘cognitieve herstructurering’ (herschikking van hun werkelijkheid). Waar het ging om adaptatie en verwerking had Bert het moeilijk: hij kon zich moeilijk handhaven in zijn werk, voelde zijn afnemende prestaties, een gebrekkig zelfvertrouwen, een lage assertiviteit en een onvermogen te vertellen hoe het innerlijk met hem ging; was zijn vermoeidheid vijand of vriend om te kunnen ontsnappen aan deze druk? Thuis schoot hij tekort vanwege zijn stemming; ze zouden wel denken: ‘Wat een slappeling is hij eigenlijk.’ Bert voelde zich plotseling oud geworden; een bekend gevoel van mislukking, domheid, afhankelijkheid en eenzaamheid kreeg hem in de greep. Hij had in algemene zin nog nooit nagedacht over een verband tussen zijn faalangst en perfectionisme enerzijds en het voortdurende minderwaardigheidsgevoel dat hij als kind al had omdat hij niet genoeg presteerde. Hij had nog nooit kritiek gehad op zijn ouders: zijn vader had een administratiekantoor met vier werknemers en wist alles; zijn moeder was een hardwerkende vrouw, moeder van vijf kinderen, die altijd haar best deed. De huisarts overwoog dat een hardnekkig negatieve basishouding weleens een rol zou kunnen spelen in Berts moeite zijn ziekte te hanteren. De huisarts legde Lipowski’s concepten (zie figuur 3) aan Bert voor: waarin herkende hij zich? Bert twijfelde en neigde eerst naar variant 4; hij wist eigenlijk wel dat hij een negatieve zelfwaardering had en ervoer de ziekte als straf die hem op één of andere manier overkwam. Maar hij zag wel in dat dit irreëel was en hij hier zelf iets uit te zoeken had; hij vond dat het variant 2 zou moeten zijn. Variant 1 vond hij niet haalbaar en variant 5 niet van toepassing, want hij zou zijn ziekte nooit gaan zien als ‘waarde’.
Figuur 3

Ziekteconcepten en de interactie tussen ‘zelf’ en ‘ziekte’.

De gesprekken over Berts zelfbeeld en zijn ziekteperceptie gaven de huisarts gelegenheid hem voor te leggen of hij wellicht baat zou hebben bij een serie gesprekken bij een psycholoog. Immers, medisch gezien had hij misschien nog wel jaren te leven en dan was het toch jammer als hij steeds maar geplaagd werd door zelfkritiek, negatieve verwachtingen en angst, in plaats van te genieten van de tijd die er nog was. Bert vond dit een moeilijk voorstel en gaf bij navraag te kennen dat hij het gevoel had dat hij blijkbaar te veel had gevraagd van de huisarts en het beter zou moeten doen. De huisarts gaf hierop aan dat deze reactie nu juist een goed voorbeeld was van hoe Bert steeds zichzelf ter discussie stelde en dat hij overigens altijd welkom zou zijn en blijven op het spreekuur, maar dat het gezien de uiteindelijke ernst van zijn ziekte erg de moeite waard was dat hij de rol van zijn ziekte in zijn leven anders zou gaan zien. Bert ging hierover nadenken…

Conclusie

In dit artikel is geschetst hoe voor patiënten het onderscheid én de samenhang tussen lichaam en geest, lijf en lijden, aan de orde zijn en dat de visie van de patiënt anders kan zijn dan van de arts of een andere professional. Lichamelijke klachten brengen psychische reacties met zich mee en omgekeerd, maar de samenhang hiertussen is niet strikt ziektespecifiek en niet altijd ‘rationeel’. Weliswaar heeft, medisch gezien, elke soort ziekte zijn eigen beloop met een begin, midden- en eindstadium, en daarbij behorende stressoren en levenstaken, maar daarnaast beleven patiënten een geheel eigen, ‘persoonlijke ziektespecifieke’ relatie tot hun lichamelijke klachten. Het omgaan hiermee is doorgaans een behoorlijke, zo niet zware, emotionele, cognitieve en sociale klus. Omdat de visie van arts en patiënt over de psychische impact van ervaren lichamelijke klachten niet vanzelfsprekend gelijkluidend is, is het van belang dat de huisarts de perceptie van de patiënt expliciet uitvraagt. Sommige patiënten kijken somberder tegen hun ziekte aan dan de arts zou inschatten, anderen juist optimistischer of positiever.9 Gespecialiseerde hulp voor deze patiënten is in de eerstelijns psychologie helaas nog schaars, maar er zijn enkele bijscholingsmogelijkheden (http://www.rinogroep.nl/). Daarnaast zijn er aan de meeste (academische) ziekenhuizen en revalidatiecentra medisch psychologen verbonden. Ook zijn er tegenwoordig enkele speciale afdelingen voor ‘psyche en soma’-problematiek (zie ook www.psyq.nl/somatiek-en-psyche; Altrecht Psychosomatiek, www.altrecht.nl).14 Echter, lang niet elke patiënt met psychische problemen zal specifieke professionele hulp wenselijk vinden.15,16 Maar in alle gevallen is het adequaat de beleving van de patiënt in de eerste lijn bespreekbaar te maken, evenals diens visie op voor- of nadelen van verdere hulp. In dit artikel hebben we hiertoe de volgende factoren centraal gesteld: a. de medische, dan wel psychische verklaarbaarheid van de (lichamelijke) klachten, volgens de patiënt zelf en volgens de arts; b. perceptie, inzicht en reflectie aangaande de ernst en het beloop van de klachten bij de patiënt; c. de motivatie c.q. het vermogen tot adaptatie en/of verwerking bij de patiënt. Misschien is gezien de impact, taaiheid, langdurigheid en tragiek van chronisch-somatische aandoeningen een vijfgesprekkenmodel hiervoor niet altijd afdoende, maar het zou mooi zijn als huisartsen ruimte kunnen nemen en houden om een gesprekspartner te zijn voor patiënten die hun klachten of ziekte niet kunnen ontvluchten.17

Literatuur

  1. Kwant RC. Mens en expressie, in het licht van de wijsbegeerte van Merleau-Ponty. Houten: Het Spectrum, 1968/2008.Google Scholar
  2. Ladan A (red.). Ons vege lijf, psychoanalytische visies. Amsterdam: Boo, 1997.Google Scholar
  3. Rijswijk E van, Donders N. De huisarts-patiëntrelatie heeft een additief effect bij psychosociale interventies. Huisarts Wet. 2005;48(6):273.Google Scholar
  4. Blankenstein AH. Somatising patients in general practice: reattribution, a promising approach (academisch proefschrift VU). Amsterdam: PrintPartners Ipskamp, 2001.Google Scholar
  5. Verdurmen J, Have M ten, Dorsselaer S van, Land H van ’t, Vollebergh W, Graaf R de. Psychische stoornissen bij mensen met een lichamelijke aandoening. Utrecht: Trimbos-instituut (NMG), 2006.Google Scholar
  6. Haes JCJM de, Sprangers MAG, Regt HB de, et al. Adaptieve opgaven bij chronische ziekte. Den Haag: NWO, 1997.Google Scholar
  7. Pool G, Heuvel F, Ranchor AV, Sanderman R (red.). Handboek psychologische interventies bij chronisch-somatische aandoeningen. Assen: Van Gorcum, 2004.Google Scholar
  8. Rijken PM, Spreeuwenberg P. Patiëntenpanel chronisch zieken – Kerngegevens Zorg 2003. Utrecht: NIVEL, 2004.Google Scholar
  9. Rijken PM, Heijmans MJWM, Bensing JM. Adaptieve opgaven als uitgangspunt voor de psychosociale zorg voor somatisch chronisch zieken. In: Groenewegen PP, Bos GAM van den, Megchelen PJ van. Zorg, opvang en begeleiding van chronisch zieken. Assen: Van Gorcum, 2004.Google Scholar
  10. Leventhal H, Nerenz DR. The assessment of illness cognition. In: Karoly P (ed.). Measurement strategies in health psychology. New York: John Wiley & Sons, 1985;517-54.Google Scholar
  11. Broadbent E, Petrie KJ, Main J, Weinman J. The Brief Illness Perception Questionnaire. J Psychosom Res 2006;60(6):631-8.Google Scholar
  12. Schüssler G. Coping strategies and the individual meanings of illness. Soc Sci Med 1992;34:427-32.Google Scholar
  13. Lipowski ZJ. Physical illnes, the individual and the coping process. Psychiat Med 1970;1:91-102.Google Scholar
  14. Huibrechts IPAM, Es SM van. Psychiatrie: somatiek en psyche. Patient Care 2009;6:35-9.Google Scholar
  15. Pool G. Psychologische interventies bij kanker – zoeken naar de juiste maat. Psychologie & Gezondheid 2009;37(5):276-287.Google Scholar
  16. Tuinman MA, Gazendam-Donofrio SM, Hoekstra-Weebers JE. Screening and referral for psychosocial distress in oncologic practice: use of the Distress Thermometer. Cancer 2008;113:870-8.Google Scholar
  17. Burg-Van Walsum M van der. Gesprekshulp door de huisarts: het vijfgesprekkenmodel. Huisarts Wet 1999;42(2): 61-6.Google Scholar

Aanvullende literatuur (aanbevolen titels)

  1. • Albersnagel F, Jaspers J. Somatoforme stoornissen, nagebootste stoornissen en psychosomatische klachten. In: Smeets G, et al. Klinische psychologie, Diagnostiek en Therapie. Groningen: Wolters Noordhoff, 1999;325-55.Google Scholar
  2. • Bleijenberg G, Gielissen M, Knoop H. Cognitieve gedragstherapie bij vermoeidheid na kanker. Bijblijven 2009;25(1):51-7.Google Scholar
  3. • Bleijenberg G, Gielissen M, Knoop H. De Verkorte VermoeidheidsVragenlijst voor het vaststellen van de ernst van chronische vermoeidheid. Bijblijven 2009;25(1):19-21.Google Scholar
  4. • Dieren Q van, Vingerhoets AJJM. Medisch onverklaarde somatische symptomen zijn geen onverklaarbare, onbegrepen of vage lichamelijke klachten. Tijdschrift voor Psychiatrie 2007:49:823-34.Google Scholar
  5. • Feltz-Cornelis CM van der, Horst H van der. Handboek Somatisatie. 2e herziene druk. Utrecht: De Tijdstroom, 2008.Google Scholar
  6. • Kaptein AA, et al. Medische psychologie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2006.Google Scholar
  7. • Pool G, Heuvel F, Ranchor AV, Sanderman R (red.). Handboek psychologische interventies bij chronisch-somatische aandoeningen. Assen: Van Gorcum, 2004.Google Scholar
  8. • Speckens AEM, Spinhoven Ph, Rood YP. Protocollaire behandeling van patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten. In: Keijsers GPJ, Minnen A van, Hoogduin CAL (red). Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum, 1999;199-227.Google Scholar
  9. • Passchier J, et al. Psychologie van onbegrepen chronische pijn. Assen: Van Gorcum, 1998.Google Scholar
  10. • Samwel H, Meer T van, Crul BJP. De psycholoog als pijnbehandelaar Bussum: Coutinho, 2002.Google Scholar
  11. • Stichting Patiëntenfonds. De pen als lotgenoot. Ervaringen over het leven met een ziekte. Amsterdam: Uitgeverij SWP, 2000.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2010

Authors and Affiliations

  • G. Pool
    • 1
  1. 1.

Personalised recommendations