Advertisement

Huisarts en Wetenschap

, Volume 45, Issue 1, pp 842–846 | Cite as

Huisartsenzorg na Woudschoten: intenties te over, organisatie te kortcontinuïteit huisartsgeneeskunde integrale zorg management praktijkvoering Woudschoten

  • D. Achterbergh
Serie Terug naar Woudschoten

Samenvatting

Sinds de Woudschotenconferentie in 1959 worden er aan de huisarts meer eisen gesteld op het gebied van kennis, communicatieve vaardigheden en dienstverlening. Tegelijkertijd wil de huisarts naast zijn professioneel bestaan een persoonlijk leven leiden. De overgang van een ambachtelijke naar een professionale organisatie van de huisartsenzorg is een voorwaarde om wensen van de professie, de patiënt en de dokter met elkaar in overeenstemming te kunnen brengen.

Nu de huisartsgeneeskunde een eigen kennisdomein heeft ontwikkeld met een intrinsieke waarde binnen de totale medische zorg, is de tijd rijp voor het herformuleren van de grondslagen. Niet zozeer het onderscheid ten opzichte van de specialistische geneeskunde, als wel de specifieke bijdrage van de huisarts in het geheel van medische zorg kan nu als vertrekpunt worden gekozen bij het debat over plaats en functie van de huisarts.

Literatuur

  1. Huygen F. NHG- Quo Vadis. Huisarts Wet 1959;2:187-91.Google Scholar
  2. Vroege NH. Het Woudschoten-rapport. Huisarts Wet 1966;9:372-85.Google Scholar
  3. Klinkhamer P. Lid dagelijks bestuur LHV. Medisch Vandaag 2001;9: 20-1.Google Scholar
  4. Mak G. De eeuw van mijn vader. Amsterdam: Atlas, 1999.Google Scholar
  5. Van der Velden LFJ. De vraag naar artsen becijferd. Med Contact 2001;56:446-51.Google Scholar
  6. Weggeman M. Leiding geven aan professionals. Amsterdam: Kluwer Bedrijfswetenschappen, 1992.Google Scholar
  7. Winsemius P. Gast in eigen huis. Alphen aan den Rijn: Samson, 1986.Google Scholar
  8. Van Delden P. Professionals, kwaliteit van het beroep. Amsterdam: Contact, 1992.Google Scholar
  9. Biesheuvel B. Commissie modernisering curatieve zorg. Gedeelde zorg: betere zorg. Den Haag: Ministerie WVC, 1994.Google Scholar
  10. Achterbergh D. De huisarts op weg naar de 21e eeuw. Med Contact 1996;51:851-4.Google Scholar
  11. Huygen F. Het home team. Huisarts Wet 1962;5:119-23.Google Scholar
  12. Van Es J. Groepspraktijken. Huisarts Wet 1966;9:162-5.Google Scholar
  13. Van der Kooy S. Huisarts en samenwerking. Huisarts Wet 1968;11:217-21.Google Scholar
  14. De positie van de huisarts in de toekomst. Utrecht: LHV Discusssienota, 1997.Google Scholar
  15. Van de Rijdt-van de Ven A. Huisartsengroepen, groei en grenzen. Tilburg: Tilburg University press, 1994.Google Scholar
  16. Van Geloven A. Door de huisarts verwezen patiënten en zelfverwijzers. Huisarts Wet 2000;43:516-8.Google Scholar
  17. Huygen F. NHG- Quo Vadis. Huisarts Wet 1959;2:187-91.Google Scholar
  18. Van der Horst H, De Vries H. Van persoonlijke, integrale, continue zorg naar medisch maatwerk. Huisarts Wet 2001;44:226-9.Google Scholar
  19. Schers H, Van de Ven C, Van den Hogen H, Van den Bosch W. Blijvende aandacht voor persoonlijke zorg. Med Contact 2000;55:353-6.Google Scholar
  20. IJzermans CJ. Continuïteit in de zorg, realiteit of mythe? Huisarts Wet 1993;36:41-3.Google Scholar
  21. Timmermans AE. De omwikkelingen in de huisartsgeneeskunde en de relatie tussen patiënt en huisarts. Huisarts Wet 1999;42:556-60.Google Scholar
  22. Ter Braak EM. Continuïteit van zorg bij parttime werkende huisartsen. Huisart Wet 1993;36:47-9.Google Scholar
  23. Smits F. Jaarverslag 2000 Huisartsenpraktijk gezondheidscentrum Reigersbos.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2002

Authors and Affiliations

  1. 1.

Personalised recommendations