Advertisement

Huisarts en Wetenschap

, Volume 45, Issue 12, pp 96–102 | Cite as

De praktijkvoering in Huisarts en Wetenschap; een historische beschouwing bereikbaarheid beschouwing elektronisch medisch dossier geschiedenis groepspraktijken huisarts Huisarts en Wetenschap NHG partner(huisarts) praktijkassistente praktijkvoering wetenschap

  • Ger van der Werf
  • Jan de Haan
Geschiedenis
  • 63 Downloads

Abstract

Van der Werf GTh, De Haan J. De praktijkvoering in Huisarts en Wetenschap; een historische beschouwing. Huisarts Wet 2002;45(12):676-81.

Vraagstelling Welke thema's uit de praktijkvoering zijn onderwerp geweest van wetenschappelijke discussie?

Methode Wij hebben artikelen uit Huisarts en Wetenschap over de praktijkvoering doorgelezen.

Resultaten In de eerste tien jaren van het bestaan van het NHG zijn door de Studiegroep Patiëntenregistratie, later door de Studiegroep Praktijkvoering de voorwaarden geschapen dat de huisarts zijn dagelijkse medische werkzaamheden kan verrichten. In de latere jaren wordt over een beperkt aantal onderwerpen geschreven. Rond 1970 wordt geschreven over de doktersassistente en de praktijkverpleegkundige, vooral in het kader van de oprichting van groepspraktijken. De verdere ontwikkeling van groepspraktijken en gezondheidscentra stagneert na 1977. Het ontbreken van financiële steun speelt daarbij een rol, maar ook spanningen in de groepen en de belangrijke rol die partners destijds speelden in de praktijkvoering. Over de telefoon wordt geschreven vanaf 1983. Tegen 1990 doet het Elektronisch Medisch Dossier zijn intrede. Dan begint opnieuw de discussie over de doktersassistente en over taakdelegatie. In 1992 verschijnt de eerste publicatie over een centrale doktersdienst.

Conclusie Overwegingen van kosteneffectiviteit, de stand van de technologie, lokale omstandigheden en maatschappelijke factoren hebben een rol gespeeld in de ontwikkelingen op het gebied van praktijkvoering. Het centrale thema in de discussies is hoe de huisarts in een tijd van steeds complexere communicatielijnen de continuïteit van zorg kan blijven garanderen.

Literatuur

  1. Saan M. Over methoden ter bevordering van de efficiency in de praktijkvoering van de huisarts [Proefschrift]. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 1966.Google Scholar
  2. Buma JT. De huisarts en zijn patiënt; grondslagen van het medisch denken en handelen [Proefschrift]. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 1949.Google Scholar
  3. Ten Cate RS. De praktijkvoering van de huisarts. In: Bremer GJ, Van Es JC, Hofmans A, redactie. Inleiding tot de huisartsgeneeskunde. Leiden: Stenfert Kroese, 1969.Google Scholar
  4. Meijman FJ. Cumulatief register 1972-1991 van Huisarts en Wetenschap. Utrecht: NHG, 1992.Google Scholar
  5. Van Deen KJ. Arbeidsanalyse in een plattelandspraktijk [Proefschrift]. Groningen. 1952.Google Scholar
  6. Ten Cate RS. De praktijkhulp van de huisarts [Proefschrift]. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 1956.Google Scholar
  7. De werkkaart; publicatie van de studiegroep patiëntenregistratie. Huisarts Wet 1958;1:86-92.Google Scholar
  8. Meyboom WA. Inleiding tot de probleemgeoriënteerde registratiekaart. Huisarts Wet 1979;22:4-5.Google Scholar
  9. Hartog J. Commissie praktijkvoering. Huisarts Wet 1969;12:28-9.Google Scholar
  10. Studiegroep Praktijkvoering; jaaroverzicht 1959. Huisarts Wet 1959;3:103.Google Scholar
  11. Jansen EM. De praktijkruimte van de huisarts; inleiding tot de tentoonstelling. Huisarts Wet 1960;3:194-5.Google Scholar
  12. Ten Cate RS, Bekius HJ, Cost Budde ThA, Deveer JM, Vasbinder W. De praktijkvoering van de huisarts. Leiden: Stenfert Kroese, 1963.Google Scholar
  13. Uit het NHI. Huisarts Wet 1965;8:460-2.Google Scholar
  14. Buma JT. Enkele beschouwingen over groepspraktijken. Huisarts Wet 1960;3:298-302.Google Scholar
  15. Dijkhuis JPM. Groepspraktijken, ontwikkelingsprojecten en doelmatigheidstoetsing. Huisarts Wet 1967;10:364-6.Google Scholar
  16. Van Es JC. Is er een toekomstperspectief? Huisarts Wet 1968;11:251-3.Google Scholar
  17. PJAM Baselier, Baselier-Dorrestein N. Het praktijkmanagement in Gendt in de Over-Betuwe. Huisarts Wet 1968;11:49-51.Google Scholar
  18. Bruins CP, Noordhoff KH, Verdenius W. Onderlinge consultatie door partners in een groepspraktijk. Huisarts Wet 1973;16:372-4.Google Scholar
  19. Van der Hout WP. Gezondheidscentrum Hoensbroek-Noord: enkele beschouwingen over het functioneren van ons assistentenbestand. Huisarts Wet 1973;16:187-93.Google Scholar
  20. Belemmeringen bij vorming groepspraktijken. Huisarts Wet 1971;14:369.Google Scholar
  21. Bouma J, Tijmstra Tj. Verwachting en waardering van een groepspraktijk; verslag van een longitudinaal onderzoek onder patiënten van de groepspraktijk “Turfmarkt” te Zwolle. Huisarts Wet 1977;20:131-5.Google Scholar
  22. Oosterhuis WW. Afspraakspreekuur. Huisarts Wet 1968;11:31-2.Google Scholar
  23. Taken in de huisartspraktijk van doktersassistente en apothekersassistente of hulpkracht in de apotheek. Huisarts Wet 1970;13:462-3.Google Scholar
  24. Taken van de doktersassistente; rapport van de Commissie praktijkvoering van het NHG. Huisarts Wet 1976;19:135-6.Google Scholar
  25. Optimale praktijkvoering [Redactioneel]. Huisarts Wet 1971;14:85-6.Google Scholar
  26. Van der Hoeven J, Hogerzeil HHW. Medische verrichtingen en de huisartspraktijk. Huisarts Wet 1965;8:168-75.Google Scholar
  27. Aulbers BJM, Oliemans AP, Philbert RP. Beschouwingen over het verrichtingscijfer. Huisarts Wet 1971;14:423-8.Google Scholar
  28. Van der Giessen HCQ, Neomagus GJH. Huisarts en partner: een weinig onderzocht samenwerkingsverband. Huisarts Wet 1982;25:426-31.Google Scholar
  29. De Haan J. Verrichtingen van een doktersassistente; een literatuuronderzoek. Huisarts Wet 1988;31:228-31.Google Scholar
  30. Hofmans A. Delegeren van taken en paradigma's in de huisartsgeneeskunde. Huisarts Wet 1987;30:58-9.Google Scholar
  31. Huygen FJA. Paradigma's voor de huisartsgeneeskunde. Huisarts Wet 1978;21:447-50.Google Scholar
  32. Huygen FJA, Van Thiel AMG, Degen H. Huisarts en verpleegster; verslag van een ‘pilotstudy’ over de vraag in hoeverre een verpleegster een huisarts bij zijn visites behulpzaam zou kunnen zijn. Huisarts Wet 1967;10:355-63.Google Scholar
  33. Grol R. Oude koek in een eigentijds jasje. Huisarts Wet 1988;31:26-8.Google Scholar
  34. Jansen EM. De bereikbaarheid van de huisarts. Huisarts Wet 1964;7:98-9.Google Scholar
  35. Van Dorp GS. Huisarts en semafonie. Huisarts Wet 1964;7:96-8.Google Scholar
  36. Starreveld JG. Het telefonisch spreekuur van de huisarts. Huisarts Wet 1983;26:448-51.Google Scholar
  37. Sips AJBI, Tielens VCL, Van der Voort JPM. NHG-Standaard Bereikbaarheid/Beschikbaarheid. Huisarts Wet 1989;32:537-40.Google Scholar
  38. Engelenburg JL. Hoe wakker is de dokter? De invloed van nachtdiensten door Haagse huisartsen op hun normale werkpatroon. Huisarts Wet 1991;34:218-9.Google Scholar
  39. Engelenburg JL. Medische hulpverlening buiten kantooruren in groot Den Haag [Proefschrift]. Lelystad: Meditekst, 1992.Google Scholar
  40. Paul Giesen, Els van der Wilden-van Lier, Henk Schers, Jaap Schreuder, Guus Busser. Telefonisch advies en triage tijdens de dienst. Huisarts Wet 2002;45;6:299-302.Google Scholar
  41. Joost Zaat, Ger van der Werf. [Commentaar]. Huisarts Wet 2002;45:302.Google Scholar
  42. De Haan J. De rol van de assistente bij het aanvragen van visites. Huisarts Wet 1994;37:538-40.Google Scholar
  43. Rutten GEHM. Anders gaan registreren: een werkzaam compromis. Huisarts Wet 1985;28:239.Google Scholar
  44. Een nieuwe groene kaart. Huisarts Wet 1986;29:216.Google Scholar
  45. Meyboom WA, Metsemakers JFM, Hofstra ML, Beusmans GHMI. NHG-Standaard Huisarts Wet 1990;33:114-7.Google Scholar
  46. Eyck MAMF, Rey JG. Argumentatie en verwachtingen. Huisarts Wet 1987;30:154-6.Google Scholar
  47. Manders JW. Automatisering van de patiëntenregistratie: ervaringen van een pionier. Huisarts Wet 1986;29:387-9.Google Scholar
  48. Oosterhof JW. Huisarts en computer. Huisarts Wet 1969;12:414-5.Google Scholar
  49. Rutten GEHM, Weijtens JThNM, Haverkort AFM. Automatiseren: tussen hollen en stilstaan. Huisarts Wet 1994;37:66-9.Google Scholar
  50. Van der Kouwe JW. Computerondersteunde besluitvorming in de huisartspraktijk. Huisarts Wet 1995;38:65-70.Google Scholar
  51. Westerhof HP, Van Overbeeke JJ, Berden HJJM. De betrouwbaarheid van het Huisarts Informatie Systeem. Huisarts Wet 1994;37:260-2.Google Scholar
  52. Westerhof HP, Berden HJJM. De meerwaarde van het elektronisch medisch dossier. Tussenresultaten van het NUT-II-project. Huisarts Wet 1993;36:380-3.Google Scholar
  53. Meyboom WA. Automatisering en wetenschappelijk onderzoek in de huisartspraktijk. De mogelijkheden en merites van een nieuw instrument [Proefschriftbespreking]. Huisarts Wet 1991;34:197-8.Google Scholar
  54. Hofmans EA, Van Duijn NP. Naar een nieuwe NHG-Standaard medische verslaglegging. Huisarts Wet 2000;43:5-6.Google Scholar
  55. Van der Lei J, Bohnen AM, Van Bemmel JH. Computerondersteunde besluitvorming: een nog niet vervulde belofte. Huisarts Wet 1994;37:427-30.Google Scholar
  56. De Melker RA, Jacobs HM, Kreuger FAF, Touw-Otten FWMM. Medische verslaglegging van huisartsen. Huisarts Wet 1994;37:46-51.Google Scholar
  57. Smulders M. Ode aan de groene kaart. Huisarts Wet 1998;41:252-2.Google Scholar
  58. Deveer JM, Havelaar MJJ, Jansen EM, Van der Laan GKA. Het laboratorium van de huisarts. Huisarts Wet 1965;8:261-3.Google Scholar
  59. Gerbrandy J. De betekenis van het laboratoriumonderzoek voor de huisarts. Huisarts Wet 1968;11:202-6.Google Scholar
  60. Groen A. Taak en werkwijze van een huisartslaboratorium. Huisarts Wet 1969;12:107-9.Google Scholar
  61. Van den Bosch WJHM, Serrarens A, Lörx M, Van Sas A. De reflotron in de huisartspraktijk. Meer mogelijkheden om zelf laboratoriumbepalingen te verrichten. Huisarts Wet 1989;32:96-9.Google Scholar
  62. Van den Bosch WJHM, Lörx M. nieuwe mogelijkheden voor haematologisch onderzoek in de huisartspraktijk. Huisarts Wet 1991;34:419-21.Google Scholar
  63. Haan GJH. Reflotron [Discussie]. Huisarts Wet 1989;32:275-6.Google Scholar
  64. Post D. Nogmaals de reflotron [Discussie]. Huisarts Wet 1990;33:37.Google Scholar
  65. Zaat J. Bespreking van: Van Boven C, Dijksterhuis PH. De schatbare waarde van aanvullend onderzoek in de huisartspraktijk. Proefschrift Universiteit van Amsterdam, 1993 en Dols JLS. Kwaliteit, inzetbaarheid en kosten van laboratoriumapparatuur in de huisartspraktijk. Proefschrift Universiteit van Amsterdam, 1993. Huisarts Wet 1993;36:265-7.Google Scholar
  66. De Haan J, Zonderland H. Praktijkorganisatorische aspecten van de Reflotron. Huisarts Wet 1993;36:18-9.Google Scholar
  67. Dinant GJ, Van Wijk MAM, Janssens HJEM, Somford RG, De Jager CJ, Beusmans GHMI, et al. Bloedonderzoek. NHG-Standaard Algemene principes en uitvoering in eigen beheer. Huisarts Wet 1994;37:202-11.Google Scholar
  68. Van den Hombergh P, Grol R, Van den Hoogen HJM, Van den Bosch WJHM. De uitrusting van de huisarts(praktijk) Huisarts Wet 1997; 40:9-13.Google Scholar
  69. Hull FM. Een verhaal van twee steden; gedaanteverwisseling. Med Contact 1986;41:1576.Google Scholar
  70. Querido A. Inleiding tot een integrale geneeskunde. Leiden: Stenfert Kroese, 1955.Google Scholar
  71. Van der Werf GTh, Zaat JOM. De geboorte van een ideologie: Woudschoten en de huisartsgeneeskunde. Huisarts Wet 2001;44: 428-35.Google Scholar
  72. Van der Werf GTh, Zaat JOM. Schaalvergroting bij spoedeisende zorg: een bedreiging voor de continuïteit van zorg? Huisarts Wet 2000;43:495-6.Google Scholar
  73. Schers HJ, Maat CC, Van de Ven C, Van den Hoogen HJM, Van den Bosch WJHM. Hoe denken huisartsen over continuïteit in de zorg? Huisarts Wet 2002;45:450-4.CrossRefGoogle Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2002

Authors and Affiliations

  1. 1.

Personalised recommendations