Advertisement

Diagnosticeren is puzzelen, maar hoeveel stukjes heb je nodig

  • Frits Boer
Artikelen

Samenvatting

Medewerkers van drie afdelingen voor ambulante jeugd-GGZ werd een tweetal beschrijvingen voorgelegd van jeugdigen met een psychische stoornis. Hun werd gevraagd om welke stoornis het ging en welke behandeling daarvoor het beste is. Naast de beschrijving van de stoornis werd aanvullende informatie gegeven over de jeugdige, die niet van wezenlijk belang was voor het kunnen vaststellen van hetgeen er aan de hand was en wat er diende te worden gedaan. Bij dit onderzoek was de vraag in hoeverre de betreffende psychische stoornis goed werd herkend en of de voorgestelde behandeling overeenkwam met daarvoor bestaande richtlijnen (de state of the art). Daarnaast was het de vraag op welke informatie dit oordeel werd gebaseerd. De herkenning van de eerste psychische stoornis was goed, die van de tweede redelijk. De voorgestelde behandeling was bij de eerste stoornis maar in de helft van de gevallen volgens de zogenaamde state of the art en bij de tweede zelfs bij minder dan twintig procent. Nogal eens werd niet relevante informatie betrokken bij de diagnostische overwegingen. Vooral medewerkers jonger dan vijfenveertig jaar bleken te oordelen volgens state of the art. Oudere medewerkers zijn hier kennelijk minder goed toe in staat of vinden het minder belangrijk.

diagnostiek behandeling richtlijnen 

Literatuur

  1. American Academy of Child and Adolescent Psychiatry (1998). Practice Parameters for the Assessment and Treatment of Children and Adolescents With Depressive Disorders. Joumal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry. 37. 63S-83S.Google Scholar
  2. American Psychiatric Association Committee on Nomenclature and Statistics (1980). Diagnostic and Statistic Manual of Mentol Disorders, Edition 3. Washington: American Psychiatric Association.Google Scholar
  3. American Psychiatric Association Committee on Nomenclature and Statistics ('994). Diagnostic and Statistic Manual of Mentol Disorders, Edition IV-R. Washington: American Psychiatric Association.Google Scholar
  4. Axline, V.M. (1947). Play Therapy. New Vork: Ballantine Books.Google Scholar
  5. Freud, A. (1965). Normality and Pathology in Childhood. New Vork: International Universities Press.Google Scholar
  6. Graziano, A.M. (Ed.) (1971). 8ehavior Therapy with Children. Chicago: Aldine-Atherton.Google Scholar
  7. Haan, E. de (2001). Behandeling van de dwangstoornis. In Else de Haan, Constance Dolman en Alette Hansen (red.), Directieve therapie bij kinderen en adolescenten (pp. 202-216). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Google Scholar
  8. Minuchin, S. (1974). Families and Family Therapy: A Structural Approach. Cambridge: Harvard University Press.Google Scholar
  9. Park, R.l. & Goodyer, I.M. (2000). Clinical guideIines for depressive disorders in childhood and adolescence. European Child & Adolescent Psychiatry, 9, 147161.Google Scholar
  10. Rapoport, J.L. & Inoff-Germain, G. (2000). Google Scholar
  11. Practicioner Review: Treatment of ObsessiveCompulsive Disorder in Children and Adolescents. Journol of Child Psychology and Psychiatry, 4', 4'9-431.Google Scholar
  12. Wit, C. de & Wit-Grouls, H. de (2000). Richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van depressies bij kinderen en adolescenten. In Pier Prins & Noëlle Pameijer (red.). Protocol/en in dejeugdzorg (pp. 173189). Lisse: Swets & Zeitlinger.Google Scholar

Copyright information

© Bohn Stafleu van Loghum 2002

Authors and Affiliations

  1. 1.Paedologisch Instituut en MentrumDuivendrecht 
  2. 2.

Personalised recommendations