Advertisement

Tijdschrift Over Plantenziekten

, Volume 23, Issue 3, pp 99–135 | Cite as

Het stengelaaltje (tylenchus devastatrix) en de tegenwoordig in de bloembollen-streek heerschende aaltjesziekte der narcissen

  • J. Ritzema Bos
Article

Keywords

Alleen Terrein Zuurstof Tylenchus Devastatrix Veel Grooter 
These keywords were added by machine and not by the authors. This process is experimental and the keywords may be updated as the learning algorithm improves.

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literatur

  1. 1).
    Ritzema Bos, “L'Anguillule de la Tige et les maladies des plantes, dues à ce Nematode”, verschenen in “Archives Teyler, Serie II. T. III, 2ième partie, id.Ritzema Bos, “L'Anguillule de la Tige et les maladies des plantes, dues à ce Nematode”, verschenen in “Archives Teyler, Serie II. T. III, 3ième partie, id.Ritzema Bos, “L'Anguillule de la Tige et les maladies des plantes, dues à ce Nematode”, verschenen in “Archives Teyler, Serie II. T. III, 7ième partie. (1888–1891.)Google Scholar
  2. 2).
    Enkele gevallen zijn bekend geworden van het leven van stengelaaltjes in wortels. Dit geldt slechts tot op zekere hoogte van het door mij in den XIV en jaargang (1908) van dit tijdschrift (bl. 66–77) beschreven “rot in de bieten”, daar toch de aantasting der bieten door het stengel-aaltje zich gewoonlijk tot het bovenste gedeelfe van de biet beperkt, hetwelk immers in werkelijkheid een stengeldeel is; van daar uit echter gaan de aaltjes soms over in het benedeneinde van de biet, hetwelk uit den opgezwollen wortel bestaat. Er komt echter in Engeland eene ziekte in de hoppeplant voor, waarbij de bovenaardsche deelen der plant eigenaardige misvormingen vertoonen, terwijl in de schors der wortels een groot aantal stengelaaltjes leeft. (ZieJ. Percival, “An Eelworm disease of Hops”, in “Natural Science”, March. 1895; zie ook mijn bovenaangehaald artikel in jaargang XIV van het “Tijdschrift over Plantenziekten”, bl. 69–72).Google Scholar
  3. 1).
    Zie voor de ziekteverschijnselen, die zich bij de onderscheiden kultuurgewassen ten gevolge van de werking van het stengelaaltje vertoonen, o. a.Ritzema Bos, “Ziekten en Beschadigingen der Landbouwgewassen”, 3e druk, deel III, 2e stuk, bl 186–201, alsmede mijn meer aangehaald artikel “L'Anguillule de la Tige” in de “Archives Teyler”.Google Scholar
  4. 1).
    Deze soort is hettarweaaltje (Tylenchus scandens Schneider), dat oorzaak is van het ontstaan van galachtige lichamen in tarwearen op de plaats der korrels. ZieTurbervil Needham, “Microscopical Observations on the worms, discovered in smuthy corn” in “Philosophical Transactions”, XII (1744),—M. Roffredi, “Mémoire sur l'Origine des petits vers ou Anguillules du “Blé Rhachitique” in “Journal de physique” V (1775),—F. Fontana in “Journal de physique”, VII (1776(,—F. Bauer in “Philosophical Transactions”, 1823,—Baker (1771), volgens mededeeling inClaude Bernard, “Lecons sur les phénomènes de la vie commune aux animaux et aux végétaux” (1885), bl. 91.Google Scholar
  5. 1).
    Over het “latende leven” van het stengelaaltje zie mijne onderzoekingen, getiteld “l'Anguillule de la Tige” in “Archives Teyler”, Serie II, Tome II, 2ième partie, bl. 86–94.Google Scholar
  6. 1).
    Julius Kühn, “Ueber das Vorkommen von Anguilluliden in erkrankten Blüthenköpfen von Dipsacus fullomum L.” in “Zeitschrift für wissenschaftliche Zoölogie”, IX (1858), bl. 129.Google Scholar
  7. 2).
    Schwerz, Anleitung zum praktischen Ackerbau, 1825, II. S. 414.Google Scholar
  8. 1).
    Kamrodt, in “Zeitschrift des landwirthschaftlichen Vereins in Rhein-Preussen”. 1867, No. 6, bl. 251 en 378.Google Scholar
  9. 2).
    Kühn, in “Zeitschrift des landw. Centralvereins der Provinz Sachsen”, 1867, bl. 99.Google Scholar
  10. 3).
    Kühn, “Ueber die Wurmkrankheit des Roggens und über die Uebereinstimmung der Anguillulen des Roggens mit denen der Weberkarde”, in “Sitzungsberichte für 1868 der naturforschenden Gesellschaft in Halle”.Google Scholar
  11. 4).
    Bastian, “Monograph on the Anguillulidae” in “Transactions of the Linnean Society of London”, XXV, tom VI, 1865.Google Scholar
  12. 1).
    J. Ritzema Bos, “Se aaltjesziekte der rogge” in “de Nieuwe Landbouwcourant”, 1882, onder redactie vanG. Reinders.Google Scholar
  13. 2).
    Beijerinck, “De oorzaak van de kroeziekte der jonge ajuinplanten”, in “Maandblad der Holl. Mij. van Landbouw”. 1883, No. 9.Google Scholar
  14. 1).
    Ritzema Bos, “Mitteilungen über landwirtschaftlich schädliche Thiere”, X, in “Landwirtschaftliche Versuchsstationen”, 1888.Google Scholar
  15. 2).
    Prillieux, “La maladie vermiculaire des Jacinthes”, in “Journal de la Société nationale d'horticulture”, 3ième Serie, III, 1881, bl. 253–260.Google Scholar
  16. 1).
    George Voorhelm, “Traité sur la jacinthe”, Haarlem 1752, bl. 110–123; id. 2e édition; Haarlem, 1762, bl. 114–117, 3e édition 1773, bl. 129–132.Saint Simon, “Des Jacinthes, de leur anatomie, réproduction et culture”, Amsterdam, 1768, bl. 151, 152.Google Scholar
  17. 2).
    Paul Sorauer, “Untersuchungen über die Ringelkrankheit und den Russthau der Hyacinthen”, Berlin u. Leipzig, 1878.Google Scholar
  18. 3).
    J. B(erkeley), in “Gardeners Chronicle”, 1878, bl. 815.J. H. Krelage, in “Gardeners Chronicle”, 1879, bl. 43.Google Scholar
  19. 4).
    Hugo de Vries, “Het ringziek der hyacinthen”, Haarlem 1882.Google Scholar
  20. 1).
    J. H. Wakker, “Onderzoek der ziekten van hyacinthen en andere bol-en knolgewassen”; verslag over 1883, bl. 24–28. (Uitgave der “Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur”.)Google Scholar
  21. 1).
    J. Ritzema Bos, “Onderzoekingen aangaande het ringziek der hyacinthen en aangaande de daarmee verwante ziekten van eenige cultuurgewassen”, in “Het Nederlandsche Tuinbouwblad”, Groningen, 1885, no. 4.—J. Ritzema Bos, “Ueber Aelchenkrankheiten verscheidener Kulturgewächse, verursacht vonTylenchus devastatrix Kühn. “Vorläufige Mittheilung” in “die Landwirthschaftlichen Versuchsstationen”, nitgegeven doorF. Nobbe. 1885.Google Scholar
  22. 1).
    J. H. Wakker, “Onderzock der ziekten van hyacinthen en andere bol- en knolgewassen”, verslag over 1883, bl. 27.Google Scholar
  23. 2).
    J. Ritzema Bos “l'Anguillule de la Tige et les maladies des plantes dues à ce Nematode”, “Archives Teyler, Serie H, T. III, 3ième partie (1889), bl. 173, 174, 175.Google Scholar
  24. 1).
    J. Ritzema Bos, “L'Anguillule de la Tige et les maladies des plantes dues à ce Nematode”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 2ième partie. bl. 68, 69.Google Scholar
  25. 2).
    Julius Kühn, “Das Luzernälchen” in “Deutsche landwirthschaftliche Presse”, VII (1881), bl. 32.Google Scholar
  26. 1).
    J. Ritzema Bos, “L'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler” Serie II, T. III, 2ième partie, bl. 53–56,—id.J. Ritzema Bos, “L'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler” Serie II, T. III, 3ième partie, bl. 178, 179.Google Scholar
  27. 2).
    Bütschli, “Beiträge zur Kentniss der freilebenden Nematoden”, bl. 39 (Pl. II, fig. 8, a. g.) in “Nova acta der K. Leop. Carol. Academie der Naturforscher”, deel XXXVI, no. 5.Google Scholar
  28. 3).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 2ième, partie bl. 57.Google Scholar
  29. 1).
    Bütschli, “Beiträge zur Kenntniss der freilebenden Nematoden”, bl. 39, in “Nova acta der Leop. Carol. Academie der Naturforscher”, deel XXXVI, No. 5.Google Scholar
  30. 2).
    VolgensLagerheim. ZieKati Marcinowski, “Parasitisch und semiparasitisch lebende Nematoden”, in “Arbeiten aus der Kaiserl. Biologischen Anstalt für Land- und Forstwirtschaft”, VII (1910), bl. 175.Google Scholar
  31. 3).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler”, Serie H. T. III, 2ième partie, bl. 66–69.Google Scholar
  32. 1.
    VolgensKati Marcinowski, “Parasitisch und semiparasitisch lebende Nematoden” in “Arbeiten aus der Kais. Biologischen Anstalt für Land- und Forstwirtschaft”, Bd. VII (1910), bl. 174. De schrijfster haalt hier aanDarboux enHouard, “Catalogue systematigue der zoöcecidies de l'Europe (1901).Google Scholar
  33. 4).
    VolgensDarboux enHouard. ZieKati Marcinowski t. a. p., “Parasitisch und semiparasitisch lebende Nematoden”, in “Arbeiten aus der Kaiserl. Biologischen Anstalt für Land- und Forstwirtschaft”, VII (1910), bl. 175.Google Scholar
  34. 5).
    VolgensRostrup. ZieKati Marcinowski, t. a. p. “Parasitisch und semiparasitisch lebende Nematoden”, in “Arbeiten aus der Kaiserl. Biologischen Anstalt für Land- und Forstwirtschaft”, VII (1910), bl. 175.Google Scholar
  35. 1).
    VolgensDarboux enHouard. ZieKati Marcinowski t. a. p. “Parasitisch und semiparasitisch lebende Nematoden”, in “Arbeiten aus der Kaiserl. Biologischen Anstalt für Land- und Forstwirtschaft”, VII (1910), bl. 175.Google Scholar
  36. 2).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 2ième partie, bl. 66–69.Google Scholar
  37. 3).
    Zie “Tijdschrift over Plantenziekten”, XII (1906), bl. 183.Google Scholar
  38. 4).
    Zie deze verhandeling, bl. 127.Google Scholar
  39. 5).
    ZieKati Marcinowski, “Parasitisch und semiparasitisch lebende Nematoden”, bl. 175 (volgensSmith).Google Scholar
  40. 6).
    Zie deze verhandeling, bl. 128–130; zieJ. Ritzema Bos, l'Anguilule de la Tige”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 3ième partie, bl. 187 en 188.Google Scholar
  41. 7).
    Zie “Mitteilungen des Vereins zur Förderung der Moorkultur im Deutsche Reiche”, Jahrgang IX, No. 7 (1891), bl. 113.Google Scholar
  42. 8).
    Zie dit artikel, noot 2 op bl. 102.Google Scholar
  43. 9).
    Jaren geleden trof het stengelaaltje aan in klein gebleven, misvormde spinazieplanten; ik kan mij echter niet meer herinneren, van waar deze afkomstig waren, en kan dit nergens in mijne aanteekeningen vinden.Google Scholar
  44. 10).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 2ième partie, bl 66; id. 3ième partie, bl. 177.Google Scholar
  45. 1).
    M. J. B(erkeley), in “Gardeners, Chronicle”, 1881, II, Nov. 19.—W. G. Smith, in “Gardeners Chronicle”, 1881, II, Dec. 3.—J. Ritzema Bos, in Nobbe's “Landwirtschaftliche Versuchssatationen”, 1890, bl. 150.—J. Ritzema Bos, in “Tijdschrift over Plantenziekten”, X (1904), bl. 45.Google Scholar
  46. 2).
    Dr. Osterwalder, Leeraar a/d Tuinbouwschool te Wädensweil, zond mij in 1901 exemplaren vanAnemone japonica, die te gelijk doorAphelenchus olesistus Ritz. Bos en doorTylenchus devastatrix waren aangetast. Zie o.a. “Tijdschrift over Plantenziekten”, VIII (1902), bl. 73.—Zie ookRitzema Bos, “Weitere Bemerkungen über von Tylenchus devastatrix verursachte Pflanzenkrankheiten”, in “Zeitschr. für Pflanzenkrankheiten”, XIV (1904), blz. 149.Google Scholar
  47. 3).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 2ième partie, bl. 66.Google Scholar
  48. 4).
    E. A. Ormerod, “A Manual of injurious insects, 2nd, ed, 1890. bl. 102: “I have myself infected turnips by sowing seed on earth in which I had burried tulip rooted oats or rye.”—Uit vele rapporten van Miss Ormerod blijkt, dat “tulip root” (aaltjesziekte) veel voorkomt bij haver, wanneer dit gewas volgt op turnips. Ik constateerde dit nooit.Google Scholar
  49. 5).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 2ième partie, bl. 66.Google Scholar
  50. 6).
    id.J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in“Archives Teyler”, Serie II, T. III. 2ième partie, bl. 67.Google Scholar
  51. 7).
    Zie “Tijdschrift over Plantenziekten”, IX (1903), bl. 47, id, Zie “Tijdschrift over Plantenziekten”, X. (1904), bl 45.Google Scholar
  52. 8).
    Osterwalder, “Nematoden als Feinde des Gartenbaus”, in “Gartenflora”, 50 Jahrgang (1901), bl. 337.Google Scholar
  53. 9).
    Zie Verslag van het Instituut van Phytopathologie over 1914 (in “Mededeelingen der R. H. L. T. en B. school”, XI (1917), bl. 213.)Google Scholar
  54. 10).
    Mayer Gmelin, in “Tijdschrift over Plantenziekten” XII (1906), bl. 93.Google Scholar
  55. 11).
    Zie dit artikel bl. 117. 133–135.Google Scholar
  56. 1).
    Zie Verslag van het Instituut voor Phytopathologie over 1909, in “Mededeelingen der Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool”, V (1912), bl. 140.Google Scholar
  57. 2).
    VolgensDarboux enHouard, zieKati Marcinowski t. a. p. “Parasitisch und semiparasitisch lebende Nematoden”, in “Arbeiten aus der Kaiserl. Biologischen Anstalt für Land- und Forstwirtschaft”, VII (1910), bl. 175.Google Scholar
  58. 3).
    Zie “Tijdschrift over Plantenziekten”, XII (1906), bl. 93. enz.Google Scholar
  59. 4).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 7ième partie, bl. 19; alsmede verschillende jaarverslagen van het Phytopathologisch laboratorium Willie Commelin Scholten (1895–1905) en van het Instituut voor phytopatholohie te Wageningen (1905–1914).Google Scholar
  60. 5).
    Zie o. a. beneden, bl. 124; ookRitzema Bos, “Drei bis, jetzt unbekannte von Tylenchus devastatrix verursachie Pflanzenkrankheiten”, in “Zeitschr. für Pflanzenkrankheiten”, XIII (1903), bl. 113.Google Scholar
  61. 6).
    Zie “Mededeelingen der R. H. L. T. en B.school, V (1912), bl. 140.Google Scholar
  62. 7).
    ZieRitzema Bos, “Neue Nematodenkrankheiten bei Topfpflanzen”, in “Zeitschrift für Pflanzenkrankheiten”, III, 1893), bl. 78.Google Scholar
  63. 8).
    Zie Verslag van het Instituut voor phytopathologie over 1911, in “Mededeelingen der R. H. L. T. en B.school”, VI (1903), bl. 157.Google Scholar
  64. 9).
    C. J. J. van Hall, in “Tijdschrift over Plantenziekten”, VIII (1902), bl. 144.Google Scholar
  65. 10).
    J. Ritzema Bos, “Twee tot dusver onbekende ziekten in Phlox decussata”, in “Tijdschrift over Plantenziekten” V, bl. 27.—Verslag van het Instituut voor phytopathologie over 1911; zie “Mededeelingen der Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool, VI (1913).Google Scholar
  66. 11).
    In Enkhuizen werd door mij een veld met Phlox Drummondi in erge mate aaltjesziek bevonden te zijn. (“Tijdschrift over Plantenziekten”, X (1904), bl. 45.Google Scholar
  67. 12).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, bl. 67.Google Scholar
  68. 1).
    Over aaltjesziekte der aardappelen zie o. a.Julius Kühn, “Die Wurmfäule”, in Mittheilungen des landw. Instituts Halle”, 1888;J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, in “Archives Teyler,” Serie II, T. III, 7ième partie, bl. 31; Verslag van het Instituut voor phytopathologie over 1911, (“Mededeelingen der R. H. L. T. en B.school” VI, 1913), en Verslag over 1908, (“Mededeelingen” III, 1910); “Tijdschrift over Plantenziekten” VIII, (1902), bl. 69.Google Scholar
  69. 2).
    Osterwalder, “Nematoden an Freilandpflanzen”, in “Zeitschrift für Pflanzenkrankheiten”, XII (1904), bl. 340.Google Scholar
  70. 3).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige”, bl. 66, 67.Google Scholar
  71. 4).
    Zie dit artikel, bl. 109.Google Scholar
  72. 1).
    Zie “Tijdschrift over plantenziekten”, VIII (1902), bl. 70.Google Scholar
  73. 2).
    Zie “Tijdschrift over plantenziekten”, IX (1903), bl. 46.Google Scholar
  74. 3).
    Zie “Tijdschrift over plantenziekten”, X (1904), bl. 44.Google Scholar
  75. 1).
    Zie “Tijdschrift over plantenziekten”, X (1904), bl. 115, XI (1905), bl. 149.Google Scholar
  76. 2).
    Zie “Tijdschrift over plantenziekten”, XII (1906), bl. 93.Google Scholar
  77. 1).
    Ritzema Bos, “Ziekten en Beschadigingen der Landbouwgewassen”, 3e druk (1916), III, 2e stuk, bl. 166.Google Scholar
  78. 2).
    Zie “Tijdschrift over plantenziekten”, deel IX (1903), bl. 46.Google Scholar
  79. 3).
    Zie “Tijdschrift over plantenziekten” deel X (1904), bl. 45.Google Scholar
  80. 1).
    n. 1. in 1906 uit den Westpolder. Zie “Tijdschrift over plantenziekten”, deel XIII (1907), bl. 73.Google Scholar
  81. 2).
    Zie “Tijdschrift over plantenziekten”, XII (1906), bl. 183.Google Scholar
  82. 3).
    Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige et les maladies des plantes dues à ce Nématode”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III” 2ième partie, bl. 68, 70.Google Scholar
  83. 1).
    Ritzema Bos, “Ziekten en Beschadigingen der Landbouwgewassen”, 3e druk, III, 2e stuk, bl. 180, 181.Google Scholar
  84. 1).
    J. Ritzema Bos, “Ziekten en Beschadigingen der Landbouwgewasen”, 3e druk, III, 1 stuk, bl. 180, 181.Google Scholar
  85. 2).
    J. Ritzema Bos, “l'Anguillule de la Tige et les maladies des plantes dues à ce Nematode”, in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 2ième partie, bl. 73.Google Scholar
  86. 1).
    Zie noot 2 op bl. 130.Google Scholar
  87. 1).
    J. Ritzema Bos, “L'Anguillule de la Tige” enz. in “Archives Teyler”, Serie II, T. III, 2ieme partie, bl. 73.Google Scholar
  88. 1).
    Zoo heeftBeyerinck (“Over het Cecidium van Nematus Capreae”, in “Verslagen en Mededeelingen der K. Academie van Wetenschappen, afd. Natuurkunde”, 3e Reeks, deel II, 1886) (Zie o.a.Ritzema Bos, “Ziekten en Beschadigingen der Landbouwgewassen”, 3e druk, II, 2e stuk, blz. 255). Het zijnEriksson enHenning geweest, die in hun uitgebreid werk “Die Getreideroste” (Stockholm 1896) het voorkomen van zoogenaamde “physiologische of biologische rassenbij de graansoorten hebben aangetoond Zie overigens ook het artikel van den HeerH. A. A. van der Lek over dit onderwerp in deze aflevering (bl. 85). (Zie o. a.J. Ritzema Bos, “De dierlijke parasieten van den mensch en de huisdieren, 1888, blz 248 en 249.)Google Scholar
  89. 1).
    Julius Kühn, “Das Luzenälchen” in “Deutsche landwirtschaftliche Presse”, VII. (1881), blz. 31.Google Scholar
  90. 2).
    ZieJ. Oortwijn Botjes enJ. Ritzema Bos, “Rapport over het proefveld in den Nieuwlandschen polder ter opsporing van bestrijdingsmiddelen tegen het stengelaaltje, 1905”, in “Tijdschr. over Plantenziekten”, XI (1905), blz. 151–154.Google Scholar
  91. 3).
    Miss E. A. Ormerod, “Reports of Observations of Injurious Insects”, 1887. (bl. 1–9), 1889 (bl. 1–12), 1890 (bl. 21, 22).Charles Whitehead, ”Third annual report on insects and fungi injurious in the crops of the Farm, the Orchard and the Garden”, 1889, bl. 55. Zie ookJ. Ritzema Bos, “L'Anguillule de la Tige”, Annotations, 2ième Serie, in “Archives Teyler”. Serie II, t. III. 7ième partie, bl. 16–19.Google Scholar

Copyright information

© Kluwer Academic Publishers 1917

Authors and Affiliations

  • J. Ritzema Bos

There are no affiliations available

Personalised recommendations